enquête .iii.

“Reis je vaak met de tram?”
“Ja.”
“Met welke tram reis je het meest?” Ze liet haar pen zweven boven de stippellijn waar weldra mijn antwoord zou komen te staan.
“De 10,” antwoordde ik, “en meestal stap ik op het Leidseplein over.”
Ze knikte afwezig en vulde ‘10′ in.
Enthousiast vuurde ze de rest van de vragen op me af, blij als ze was dat ze eindelijk een slachtoffer had gevonden.
Ik schatte haar achttien. Waarschijnlijk was ze net aan een studie begonnen in Amsterdam. Ze had een mooie stem om naar te luisteren.
“Zing je eigenlijk?” vroeg ik plots. Het meisje keek verbaasd op.
“Zingen? Nee,” zei ze lachend, “ik zing alleen maar onder de douche. En jij?”
Ik bekende haar dat ik af en toe mijn gitaar pakte en een liedje zong.
Hotel California bijvoorbeeld. Of House of the rising sun. Maar verder dan dat kwam ik niet.
“Ik wil schrijfster worden,” zei ze terwijl ze dromerig voor zich uit staarde. “Ik wil net zo groot worden als Agatha Christie. Of Nicci French. Ik heb alle boeken van ze verslonden. Ze inspireren me. Nu schrijf ik zelf verhalen. Ik vind het heerlijk om mijn eigen wereld te scheppen en me op papier niets aan te trekken van de regels die de maatschappij heeft opgesteld.”
“Wat studeer je dan?” Ik merkte dat ik nieuwsgierig werd naar de persoon achter dit meisje.
“Ik studeer nu Nederlands. Een prachtig vak. Taal leeft. In taal kun je graven, zoeken en vinden. Vind je niet?”
Ik knikte. “Maar laten we ons weer concentreren op de vragenlijst, anders zitten we hier morgen nog,” zei ze.
Toen er een half uur voorbij was gegaan sloeg ze haar map dicht en stak een hand naar me uit. “Bedankt voor je medewerking,” zei ze vriendelijk. Ik schudde haar de hand en zei dat het geen probleem was.
“Kijk, daar is de tien.” Ze wees naar de tram die kwam aanrijden.
“Laat ik die maar nemen.” Ik zei haar gedag, wenste haar succes met de enquête en sprintte naar de overkant. Ik ging achterin naast een raampje zitten en keek naar haar. Terwijl de tram wegreed zwaaiden we met een brede glimlach op ons gezicht naar elkaar. Eenmaal uit zicht haalde ik de kaart die ik voor mijn tante had gekocht uit mijn jaszak.
Opeens wist ik wat ik op de kaart moest zetten.

enquête .ii.

‘Is bus eenendertig al geweest?’ vroeg hij ‘ik ben bang dat die net voor je neus wegrijdt, kijk daar, als je hard loopt kun je ‘m misschien nog halen’ de jonge man sprinte weg, als ze niet zulke goede oren had gehad had ze zijn dankuwel niet eens gehoord, weldra verdween hij achter het verkooppunt van strippenkaarten en abonnementen om zijn bus te halen. Mensen waren hier afhankelijk van bussen die soms maar een paar keer per dag reden, de chauffeurs wisten dat en waren meestal wel bereid de deur nog even open te doen voor een late passagier. Ze glimlachte, nog geen tien jaar geleden had ze ook vaak zoveel haast gehad, werk, vrijwilligerswerk, sociale contacten en vrijetijdsbesteding waren naadloos op elkaar aangesloten. Niet dat het een stressvol bestaan was geweest, oh nee verre van dat, maar het was druk. Nu deed ze het noodgedwongen wat kalmer aan. Vijftig, wat een leeftijd, aanstaande zaterdag werd ze vijftig en eigenlijk voelde ze zich nog helemaal niet zo oud. Vroeger had ze altijd het gevoel gehad dat het leven op één of andere manier heel erg anders zou zijn als je vijftig werd. En eigenlijk was er ook wel veel veranderd, vooral de afgelopen tien jaar hadden zich ingrijpende gebeurtenissen voorgedaan maar om nu te zeggen dat het leven echt veranderd was, of zijzelf. Ze werd vijftig, een paar rimpels meer en dat was het eigenlijk wel.
‘Hij zag me niet’ de stem naast haar klonk duidelijk buiten adem, ze keek, de jonge man van zoëven was naast haar op het bankje neergeploft. Rood aangelopen, hijgend, hij had de bus gemist.
’shit’ mompelde hij voor zich uit terwijl hij zijn schoudertas op de grond liet glijden.
‘had je een belangrijke afspraak?’ vroeg ze vriendelijk
‘uhu’ antwoordde hij
‘waar moest je zijn?’
‘politiebureau’
‘de volgende bus komt pas over twintig minuten, het spijt me’
‘geeft niet, U kunt er ook niets aan doen’
Een tijd lang zaten ze zwijgend naast elkaar, het begon zachtjes regenen
‘welke bus moet U hebben?’
‘zevenendertig, ik moet naar het ziekenhuis’
‘oh…’ de jonge man wist duidelijk niet hoe hij moest reageren
‘ja niet voor mezelf hoor, de dochter van een vriendin heeft pas een kindje gekregen ik ga alleen wat schone kleren brengen’
‘gelukkig maar, nu wilt U zeker weten wat ik bij het politiebureau te zoeken heb?’
‘niet in het bijzonder maar ik ben wel een beetje nieuwsgierig’
‘het is voor een interview hoor, verder niets’
‘mijn neef doet ook iets met interviewen, volgens mij is hij ongeveer van dezelfde leeftijd als jij’
‘werkt hij bij een krant?’
‘nee ik geloof iets met bevolkingsonderzoeken, ik weet het niet precies’
‘oh maar dat soort interview ga ik niet afnemen hoor, ik moet een artikel schrijven voor een krant’
‘je zult wel gelijk hebben’ ze glimlachte een beetje dromerig voor zich uit ‘ik heb ‘m al een lange tijd niet meer gesproken, mijn neef’
‘woont hij ver weg?’
‘in Amsterdam, maar ik zie dat mijn bus er staat, het was leuk je even gesproken te hebben en veel succes met je interview’
‘dank u wel, nog een prettige dag verder’

Inmiddels viel de regen met bakken uit de hemel, ze stapte in en ging achterin de bus naast een raampje zitten, de jonge man die van deze afstand door de met regendruppels bedekte ruit wel heel erg op haar neef leek zwaaide, met een brede glimlach op haar gezicht glimlachte ze terug…

enquête .i.

Druilerig weer was het en slenterend baande ik me een weg naar het Leidseplein. Mijn tante werd die zaterdag vijftig en een mooie verjaardagskaart was toch nog gevonden in Waterstone’s. Peinzend liep ik tegen menig persoon op, peinzend over wat te schrijven aan een Sara. De 10 was net voor mijn neus weggegaan. Op de halte was een meisje bezig een medewachtende een enquête af te nemen. Over het openbaar vervoer. De vrouw, overduidelijk uit Oud-Zuid, had duidelijk geen zin. Haar tram kwam eraan, het was inderdaad de zeven, en ze stapte zonder excuses in, het meisje achterlatend met een half onderzoek. ‘Hoeveel moet je er nog vandaag’, vroeg ik. Ze antwoordde dat ze er eigenlijk nog vijftig zou moeten doen, maar dat dat op een dag als deze en een overstapplaats als het Leidseplein nooit zou lukken. Alhoewel mijn tram eraan kwam, gingen we zitten op het bankje. Je moet wat over hebben voor collega’s, nietwaar?