begin

In ieder leven valt wat regen - Rutger Kopland

Het wordt weer stil als toen ik niemand
was. Alles keert terug naar het begin.

Het is wel even wennen om weer te beleven dat
geen beweging er iets toe doet. Van berg
naar berg klingelen koeien in de bergen.
In hun dorpen lachen en huilen mensen
dal na dal. Ze doen maar, ik luister

en hoor alles, al dagen. verder en verder
door de regen. Je weet het, je hebt niets
te vertellen, maar beloofd is beloofd,
god weet door wie, dat hierna de zon weer
zal schijnen. En kort daarna komt regen. Wat
is er dan nog gebeurd.

Het meer dampt. Over het meer trekt damp
heen en weer.

Verschenen in: Alles op de fiets, 1969

Miwian: Dichters op Dinsdag

kind

rousseau le douanier - lucebert

parijs is twee meter hoger dan mexico
parijs is een grijs zeil
mexico is een bonte boot

wij gaan als slangen varen
de familie gaat varen
de moeder draagt een ei
de vader torst een tak

het kind staat en is
de starende maan

Verschenen in: de getekende naam, 1952

Miwian: Dichters op Dinsdag

kerstmis

‘Twas the night before Christmas

‘Twas the night before Christmas, when all through the house
Not a creature was stirring, not even a mouse;

The stockings were hung by the chimney with care,
In hopes that ST. NICHOLAS soon would be there;

The children were nestled all snug in their beds,
While visions of sugar-plums danced in their heads;

And mamma in her ‘kerchief, and I in my cap,
Had just settled down for a long winter’s nap,

When out on the lawn there arose such a clatter,
I sprang from the bed to see what was the matter.

Away to the window I flew like a flash,
Tore open the shutters and threw up the sash.
The moon on the breast of the new-fallen snow
Gave the lustre of mid-day to objects below.

When, what to my wondering eyes should appear,
But a miniature sleigh, and eight tiny reindeer.

With a little old driver, so lively and quick,
I knew in a moment it must be St. Nick.

More rapid than eagles his coursers they came,
And he whistled, and shouted, and called them by name;
“Now, DASHER! now, DANCER! now, PRANCER and VIXEN!
On, COMET! on CUPID! on, DUNDER and BLIXEM!
To the top of the porch! to the top of the wall!
Now dash away! dash away! dash away all!”

So up to the house-top the coursers they flew,
With the sleigh full of toys, and St. Nicholas too.
And then, in a twinkling, I heard on the roof

The prancing and pawing of each little hoof.
As I drew in my hand, and was turning around,
Down the chimney St. Nicholas came with a bound.

He was dressed all in fur, from his head to his foot,
And his clothes were all tarnished with ashes and soot;
A bundle of toys he had flung on his back,
And he looked like a peddler just opening his pack.

His eyes — how they twinkled! his dimples how merry!
His cheeks were like roses, his nose like a cherry!
His droll little mouth was drawn up like a bow,
And the beard of his chin was as white as the snow;

The stump of a pipe he held tight in his teeth,
And the smoke it encircled his head like a wreath;
He had a broad face and a little round belly,
That shook, when he laughed like a bowlful of jelly.

He was chubby and plump, a right jolly old elf,
And I laughed when I saw him, in spite of myself;
A wink of his eye and a twist of his head,
Soon gave me to know I had nothing to dread;

He spoke not a word, but went straight to his work,
And filled all the stockings; then turned with a jerk,
And laying his finger aside of his nose,
And giving a nod, up the chimney he rose;

He sprang to his sleigh, to his team gave a whistle,
And away they all flew like the down of a thistle.
But I heard him exclaim, ere he drove out of sight,
“HAPPY CHRISTMAS TO ALL, AND TO ALL A GOOD-NIGHT.”

Verschenen in: The Sentinel (Troy, New York), 23 december 1823

Miwian: Dichters op Dinsdag

tuin

Het Meisje - M. Nijhoff

Wanneer je ontwaakt, zie je den morgen bleeken,
De klokken luiden dat de dag begint,
De tuin geurt zoel van gras en vochtig grint,
Ruischend omhoog de hooge boomen steken.

Meisje dat de innigheid der dingen mint,
Je hebt geen daad te doen, geen woord te spreken:
Je stil-bewegend leven heeft de bleeke
Wonderlijkheid der droomen van een kind.

Wij gingen samen ’s morgens door de stad,
Het licht viel schuin naar binnen in de straten,
Menschen liepen voorbij die samen praatten,

De toren speelde - en ‘t was of alles had
De teere kleur en klank van ‘t vreemd bewogen
Zwijgende leven van je glanzende oogen.

Verschenen in: De Wandelaar, 1926

Miwian: Dichters op Dinsdag

trein

De Trein - Bert Voeten

Er rijdt door mijn hoofd een trein
vol joden, ik leg het verleden
als een wissel om en ik tel
de veewagons met de grendels:
vijftig wagons, in elke
wagon vijftig mensen. Men ligt
geklemd tussen ledematen,
men is drager of gedragene,
gevangenen van elkander
in het duister van de wagon
in het duister van de wagon
zonder lucht,
zonder hoop.

Het is twaalfhonderd kilometer
naar sobibor - ik heb het
op een avond uitgerekend
met een kaart van europa voor me
Zij wisten het niet, zij wisten
alleen dat hun wervels kneusden
tegen de baddings, hun tong
zwol als een blaar, hun ogen
schrijnden, hun voeten dood
in hun schoenen staken; zij leerden
dat men na twee, drie dagen
zijn water laat lopen, zijn nagels
gebruikt om ruimte te krijgen
wanneer men ligt op het harde
lichaam van een gestikte.
Niemand wist meer van gistren,
van het witte tafellaken
op vrijdagavond, de lichtjes
van chánoekah; niemand wist nog
van morgen, van de ontkleding,
de betegelde douchelokalen,
de sproeidoppen zonder water,
het oog dat hen gade zou slaan.
Men kende alleen het nu
van de houten kooi, van het donker,
het nu van de waanzin die komt
met mondschuim en gillen, het nu
van de wereld buiten: een halte
in nieder lausitz, de geur van
uiensoep en schweinsbraten,
het kletteren van vers water,
laarzen op grint, een stem uit
een ijzeren keel, en beukend
tegen het wandbeschot de
grondplaat van een geweer.

‘Ze hadden ze allemáál
in de gaskamer moeten stoppen’
heeft onlangs iemand gezegd
in een trein in de buurt van assen
Een koopman was het, hij zat
in een 3e klas rookcoupé
met een al te hete verwarming –
het raampje moest er bij open.
Er reed een andere trein door
mijn hoofd toen ik dit las,
een trein vol joden. Ik telde
de veewagons met de grendels;
vijftig wagons,
in elke wagon vijftig mensen;
gevangenen van elkander
in de duistere houten kooi
in de waanzin van deze wereld.

Verschenen in: Nationale Snipperdag, 1954

Miwian: Dichters op Dinsdag