maria

Maria - Elisabeth Eybers [1915 - 2007]

‘n Engel het dit self gebring,
die vreugde-boodskap – en jy het
‘n lofsang tot Gods eer gesing,
Maria, nooi uit Nasaret!

Maar toe Josef van jou wou skei
en bure-agterdog jou pla,
het jy kon dink, eenmaal sou hy
die hele wêreldskande dra?

Toe jy soms met ‘n glimlag langs
jou liggaam stryk… die stilte instaar….
Wis jy met hoeveel liefde en angs
sou hy sy hellevaart aanvaar?

Die nag daar in die stal – geeneen
om in jou nood by jou te staan –
Het jy geweet dat hy alléén
Getsémané sou binnegaan?

Toe vorste uit die Ooste kom
om nederig hulde te betoon
wis jy hoe die soldate hom
tot koning van die volk sou kroon?

En toe hy in jou arms lê,
sy mondjie teen jou volle bors,
het jy geweet dat hy sou sê,
toe dit te laat was : Ek het dors!

Toe dit verby was, en jy met
sy vriend Johannes huis toe gaan –
Maria, vrou van smarte, het
jy tóé die boodskap goed verstaan?

Verschenen in: Belydenis in die skemering, 1936

Sonnet

Sonnet - Elisabeth Eybers [1915 - 2007]

My hele lewe lank sal ek moet boet
omdat ek in ligvaardigheid en lus
jou uit bestaanloosheid se diepe rus
geruk het in die strik van vlees en bloed.

‘n Vrou het die vermetelheid en moed
om godna-apend lewe te laat word
maar nooit kan sy, onmagtig ná haar kort
triomf, vervulling dwing of ramp verhoed.

Sy het haar lot gekies: vir haar sal nooit
vreugde eenvoudig wees of skoonheid klaar,
sy sal niks weet van sorgloosheid en rus,

want ná haar eerste uitdaag van die dood
bly alles slegs ‘n tweestryd tussen haar
en hom, waarvan die afloop seker is.

Verschenen in: Die vrou en andere verse, 1945

ek wil nie meer besoek ontvang nie

Ek wil nie meer besoek ontvang nie - Ingrid Jonker

Ek wil nie meer besoek ontvang nie
nòg met koppies tee boeretroos en veral nie brandewyn nie
ek wil nie hoor hoe hul wag op gevlerkte briewe nie
ek wil nie hoor hoe hulle wakkerlê in hul oogkasse wyl
die ander slaap wyd soos die horison om sy wenkbroue
en wat wil ek weet van hul eenderse kwale
die een sonder eierstokke die ander met leukemia
die kind sonder ‘n draaiorreltjie en die ou man
wat al vergeet het dat hy doof is
die bevlieging van die dood in die robots van groen
die mense wat leef by die see soos in die Sahara
die verraaiers van die lewe met die gesig van die dood en van God

ek wil net alleen wees op reis met my eensaamheid
soos ‘n wandelstok
en glo dat ek nog enig is

Verschenen in: Rook en oker, 1963.

de vervloekte: vii. alleen God weet waarom ik bij je kwam

De vervloekte: vii. Alleen God weet waarom ik bij je kwam - Martinus Nijhoff

Alleen God weet waarom ik bij je kwam,
Ik weet slechts dat ik niet kwam om te rusten,
Dat je mijn hart ziek en rumoerig kuste,
Dat onze nacht brandde als een zwarte vlam.

Is dit een zegening, is dit een vloek?
Weet God dat wij alleen een rustplaats vragen
Buiten geluid, buiten het licht der dagen
En buiten alles wat ik angstig zoek?

Het troosteloze gaat in mij gebeuren:
De wil te sterven doet mijn ziel weer leven
En in den nacht zich op haar vleugels beuren -

Ze glimlacht, maar het is een droevig stijgen.
Lieveling, lieveling, aan mij gegeven! -
Ik glimlach in een nacht van dreigend zwijgen.

Verschenen in: De wandelaar, 1916

de zelfmoordenaar

De zelfmoordenaar - Piet Paaltjens

In het diepst van het woud
- ‘t Was al herfst en erg koud -
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
Och, zijn oog zag zoo dof!
En zijn goed zat zoo slof!
En hij tandknerste, als was hij aan ‘t malen.

“Harriot!” dus riep hij verwoed,
“‘k Heb een adder gebroed,
Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!”
En hij sloeg op zijn jas,
En hij trapte in een plas;
‘t Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

En meteen zocht zijn blik
Naar een eiketak, dik
Genoeg om zijn lichaam te torschen.
Daarna haalde hij een strop
Uit zijn zak, hing zich op,
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.

Het werd stil in het woud
En wel tienmaal zo koud,
Want de wintertijd kwam. En intusschen
Hing maar steeds aan zijn tak,
Op zijn doode gemak,
Die mijnheer, tot verbazing der musschen.

En de winter vlood heen,
Want de lente verscheen,
Om opnieuw voor den zomer te wijken.
Toen dan zwierf - ‘t was erg warm -
Er een paar arm in arm
Door het woud. Maar wat stond dát te kijken!

Want, terwijl het, zoo zacht
Koozend, voortliep en dacht:
Hier onder deez’ eik is ‘t goed vrijen,
Kwam een laars van den man,
Die daar boven hing, van
Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen.

“Al mijn leven! van waar
Komt die laars?” riep het paar,
En werktuigelijk keek het naar boven.
En daar zag het met schrik
Dien mijnheer, eens zo dik
En nu tot een geraamte afgekloven.

Op zijn grijzende kop
Stond zijn hoed nog rechtop,
Maar de rand was er af. Al zijn linnen
Was gerafeld en grauw.
Door een gat in zijn mouw
Blikten mieren en wurmen en spinnen.

Zijn horloge stond stil,
En één glas van zijn bril
Was kapot en het ander beslagen.
Op den rand van een zak
Van zijn vest zat een slak,
Een erg slijmrige slak, stil te knagen.

In een wip was de lust
Om te vrijen gebluscht
Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het te spreken.
‘t Zag van schrik zóó spierwit
Als een laken, wen dit
Reeds een dag op het gras ligt te bleeken.

Verschenen in: Snikken en Grimlachjes, 1867