het lied der achttien dooden

Het lied der achttien dooden - Jan Campert

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

O lieflijkheid van licht en land,
van Holland’s vrije kust,
eens door den vijand overmand
had ik geen uur meer rust.
Wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdlen strijd.

Ik wist de taak die ik begon,
een taak van moeiten zwaar,
maar’t hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geeerd,
voordat een vloekbre schennershand
het anders heeft begeerd.

Voordat die eeden breekt en bralt
het miss’lijk stuk bestond
en Holland’s landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond;
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk Germaansch gerief
ons volk dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.

De Rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie, -
zoo waar als ik straks dood zal zijn
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
en slapen mag met haar-
verwerp al wat hij biedt of bood
die sluwe vogelaar.

Gedenkt die deze woorden leest
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan ‘t allermeest
in hunnen rampspoed groot,
gelijk ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk -
er daagt een dag na elken nacht,
voorbij trekt iedre wolk.

Ik zie hoe’t eerste morgenlicht
door ‘t hooge venster draalt.
Mijn God, maak mij het sterven licht-
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw gena,
opdat ik heenga als een man
als ‘k voor de loopen sta.

Verschenen in: De achttien doden, 1943

dodenherdenking 2008

Bahar Azizi (18) uit Den Haag heeft de dichtwedstrijd ‘Dichter bij 4 mei’ gewonnen en mag haar gedicht In mijn en ieder hart voordragen tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei op de Dam te Amsterdam.

In mijn en ieder hart - Bahar Azizi

Nooit begreep ik
Je kwam nooit
Nooit terug

Als druppels water
Druppels bloed
Neerkomend op de
Bloemen
Onze bloemen
Ons leven

Verplichtend
Trots en dapper
Als een ridder ging je

Nooit begreep ik
Je kwam nooit
Nooit terug

In elk glimlach
Zie ik je terug
In elk traan
Zie ik je weggaan

Wij allen vrij
Als vliegende vogels

Niet vergeten
Nooit vergeten
In mijn en ieder hart

Vandaag
Denk ik aan jou
Net als gister vandaag was
En morgen vandaag wordt

Nu begrijp ik het
Je bent nooit weg geweest
Altijd hier
Altijd vrij

Wij allen vrij
Als vliegende vogels

13 maart 1943, oranjehotel

Psalmen 43

1 Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.

2 Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

3 Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;

4 En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!

5 Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

Quero ser livre insincero

Quero ser livre insincero (1930) - Fernando Pessoa

Quero ser livre insincero
Sem crença, dever ou posto.
Prisões, nem de amor as quero.

Quando canto o que não minto
E choro o que sucedo,
É que esquici o que sinto
E julgo que não sou eu.

De mim mesmo viandante
Olho as músicas na aragem,
E a minha mesma alma erranta
É uma cançao de viagem.

Verschenen in: Poesia, 1977

roodlichtgedicht

roodlichtgedicht 04