wij overlevenden

Lieve W.,

Je was voorbestemd de zin van het leven te ontrafelen. Wanneer ik dit tegen je zei, keek je me meewarig glimlachend aan. Je antwoordde, dat we in het leven geworpen worden met beginwaarden. Vanaf dat moment moeten we ons zelfstandig zien te ontwikkelen, zonder dat we weten waarop we ons zouden moeten richten.

‘Je vindt me alleen aardig, omdat je me zo mooi vindt’, zei je eens. Dat was niet waar. Omdat je zo aardig was, nam ik het je niet kwalijk dat je zo mooi bent. Zo mooi was. Waarom je daarmee zat, ik kan het niet bevatten.

Acht jaar geleden zag ik je voor de laatste maal. De schittering in je ogen was verdwenen, alsof een ander wezen bezit van je had genomen. Wanneer er een groter idee met ons bestaat, dan kan dit nooit de bedoeling zijn geweest. Zoveel verdriet in een vrouw en geen mogelijkheid meer vinden om te schelden, schreeuwen of zelfs maar te huilen.

Ik zou respect moeten hebben voor je keuze. ‘Iedereen is verantwoordelijk voor de eigen keuzes en zou de vrijheid moeten krijgen, die keuzes te kunnen maken.’ Ik probeerde je altijd daarvan te overtuigen, niet wetende dat je naar me luisterde. Jij hebt die laatste keuze gemaakt.

Ik probeer de leegte op te vullen, de afgelopen zeven jaar voelen echter als geleende tijd en de logica is zoek.

Elk moment van de dag mis ik je, elke dag opnieuw.

Alle liefs.

de onnozele, de dappere en de naïeve

Ik stond achter hem en legde mijn arm strak rondom zijn nek. Rustig ademhalend vroeg ik hem genade. Op zijn weigering trok ik mijn onderarm in één beweging naar achter. Hij was uit balans geraakt en viel op de grond van het speelkwartier. Met mijn knie ontnam ik hem de adem door deze op zijn borst te plaatsen. Nogmaals bad ik hem genade. Hij fluisterde, dat ik het niet waard was en dat hij haar de volgende keer op precies dezelfde manier zou behandelen. Mijn knie schoot in reflex naar zijn adamsappel. Hij bad mij mijzelf te verliezen.

Vanavond moest ik na het zien van The Brave One aan dit voorval denken. Zou ik weer de gerechtigheid willen zoeken in wraakzucht? Met de gedachte spelen de dader iets aan te willen doen, wanneer een geliefde onteerd is? Daadwerkelijk verder gaan dan denken alleen? Getergd zou ik moeten zijn, tot het bot getergd, maar tot mijn eigen ontzetting moest ik bekennen de vraag nog steeds positief te kunnen beantwoorden.

stoofperendrop

Nu moet u de afgunst van de Friezen voor het westen, en dan met name voor de hoofdstad, altijd met een korrel zout nemen. Anders zouden er immers meer Friezen nog daadwerkelijk in voornoemde noordelijke provincie wonen, nietwaar?

Hoe kwam ik hier ook alweer op? Oh ja, de heer J. Douwenga en consorten heeft weer een ‘ouderwets lekker’ dropje onze kant doen opkomen. Dit keer is het, u raadde het waarschijnlijk al, de Stavorense Stoofpeertjes Drop. Dit zou stevige volzoete drop moeten zijn met de karakteristieke smaak van in rode bessensap gestoofde peertjes.

Nu hebben Gieser Wildeman natuurlijk helemaal geen bessensap nodig om de rode kleur te bekomen, maar dat terzijde. Mensen willen nu eenmaal vals spelen. Deze drop zou dus de smaak van stoofperen moeten hebben. Helaas heb ik die, na de halve doos van deze tamelijk onsmakelijke drop geprobeerd te hebben, nog niet kunnen waarnemen.

Nieuwsgierig naar de reden hiervoor heb ik de ingrediëntenlijst op de verpakking gelezen en wat zat er zoal in dit dropje: suiker, glucose-fructosestroop, Arabische gom, gemodificeerd zetmeel, gelatine, zoethoutwortelextract, salmiakzout, gerstemoutextract, aroma’s, voedingszuren, kleurstoffen en glansmiddel. Behalve dat dit dropje overduidelijk niet geschikt is voor vegetariërs, niet smaakt naar stoofperen, is er dus ook geen enkele stoofpeer gebruikt bij de vervaardiging van dit dropje.

Op de achterkant van de verpakking van dit nieuwe ‘Oldtimer’-dropje beklaagt de heer J. Douwenga zich, dat hij tijdens het jaarlijkse zoetwarencongres te Amsterdam op 18 oktober 1951 tijdens een lunch ter ere van hem slechts liflafjes geserveerd kreeg door de kortgerokte jongedames (dat meneer Douwenga zich dit detail weet te herinneren, geeft toch wel te denken). Een hoofdpijn veinzend, maakte dit heerschap voortijdig de overtocht naar Stavoren, alwaar hij in een Friese herberg draadjesvlees met stoofperen voorgeschoteld kreeg.

De kinnesinne tegenover de hoofdstad is een nogal populair tijdsverdrijf geworden, waar de reden daartoe mij nogal duister is. Ook bij deze door onze gastvrije Amsterdamse vrouwen klaarblijkelijk opgegeilde Fries is de reden voor de tirade tegen onze hoofdstad mij een volkomen raadsel. Ik bedoel, de firma Zegsman en zonen geeft hem een gratis lunch, die hij onder valse voorwendselen voortijdig verlaat. En dan vertelt hij doodleuk op de verpakking van zijn nieuwe drop, dus niet in het gezicht van de dames en heren van Zegsman en zonen, de ware reden: de gratis maaltijd was hem te min. De man die ons nu stoofperendrop zonder stoofperen probeert te verkopen was een gratis Amsterdamse maaltijd ter ere van hem te min. Zo zout had ik ze nog niet geproefd.

Maar misschien moet ik de afgunst van de Friezen voor de hoofdstad met een korrel zout nemen. Anders zouden er immers meer Friezen nog daadwerkelijk in voornoemde noordelijke provincie wonen, nietwaar?

klant is koning

De platenzaak kwam ik binnen met het idee, die hele tent eens helemaal te gaan verbouwen. De dag ervoor had ik de nieuwe dvd van Bløf aangeschaft en thuis onmiddelijk in de cdlade van de computer gestopt, waar het zilveren schijfje de computer compleet bevriezen deed.

Dat kon niet de bedoeling zijn en in mijn hoofd begon zich al een scenario voor de volgende dag af te spelen. Mijn hoofd rood aangelopen tikte mijn rechterwijsvinger resoluut op de luisterbalie, waarbij mijn lippen zuinigjes toegeknepen zouden staan en uiterst vervaarlijk de puistenkop tegenover me zouden aankijken. Even daarvoor zou ik op luide toon te kennen hebben gegeven, dat ik van de vervanging van deze dvd door de cd-versie en bovendien het verschil in bonnen terug moest hebben. Ik was er al vanuit gegaan, dat de puber niets voor mij zou kunnen betekenen en ik had me al voorgenomen, dat het minste dat ik hem voor de voeten werpen zou zijn te dreigen met de Consumentenbond en Ook Dat Nog.

Behoorlijk opgefokt liep ik de wenteltrap op, al mijn testosteron gebald in die o zo belangrijke rechterwijsvinger. Daar stond de vijand: de verkoper. Nu niet meteen al mijn kruit verschieten, rustig blijven en je niet meteen laten kennen. Ik legde de DVD op de balie, waarop een glimlach ontstond op zijn gezicht. ‘Heb jij ook problemen met het afspelen van de DVD op je computer? Had ik ook. Ik zal even de CD voor je pakken, dan krijg je het verschil van me terug.’ Verbouwereerd kon ik slechts instemmend knikken. De verkoper haalde een in cellofaan verpakte versie van Umoja van achter en pakte het wisselgeld uit de kassalade. Ik keek in mijn open rechterhand, alles leek te kloppen.

Ik mompelde bedankt en liep enigszins kwaad de winkel weer uit. Stennis wilde ik schoppen, mijn gelijk op zeer luide toon gaan halen. Hoe had hij mijn opgebouwde hormoonhuishouding kunnen negeren door zo vriendelijk en hulpvaardig te zijn? Waar moest ik die opgefoktheid nu laten? En dit was toch Amsterdam, waar de klant op zijn minst genegeerd wordt? Ik moest nog dromen, dit was wis en waarachtig een nachtmerrie.

Lopend naar huis boog mijn drieste dolheid om in verbazing. Zou het in de hoofdstad dan toch kunnen, dat de klant koning zijn kan?

sneeuwbericht

En hij keek naar buiten, waar hij de witte wereld verwonderd aanschouwde. Het onverwachte wonder bracht hem van zijn stuk, zoals hij wel vaker verward door het afgelopen jaar was gedwaald.

Het jaar had hem geleefd. Niet dat het zo een slecht jaar geweest was, niet al wat hem overkomen was had een negatieve bijsmaak nagelaten. Dit jaar leek hij echter nergens vat op te krijgen, alsof de dingen ondanks hem gebeurden.

De overdekking van de kinderbewaarplaats kreeg een steeds dikkere laag sneeuw te verduren. In zijn hoofd werden de herinneringen aan sneeuwbalgevechten met de Katholieken van een straat verder helder en in breedbeeld geprojecteerd.

Hij had de dingen onder woorden proberen te brengen. Geprobeerd had hij hen die hem bezig hielden een weerwoord te geven. Het kwam niet, hij bleef te onzeker over zijn bedoelingen, te onzeker over zijn eigen gelijk, en maalde voortdurend over de juiste formulering der dingen. Hij dwaalde dieper het bos in, waar de bomen al lang niet meer van elkaar te onderscheiden waren.

Het hoofd deed hij naar buiten en stak zijn tong uit. Een sneeuwvlok smolt op zijn tong, een wonderbaarlijke tinteling maakte zich van hem meester.

Misschien maakte het ook helemaal niet uit, wat hij zeggen zou. Het was wellicht van groter belang, dat hij überhaupt wat zeggen zou. Dat hij zich bewust ervan zou zijn, dat wat hij zei voor iemand van belang zou kunnen zijn. Een uiterst vreemde gedachte voor hem.

Het flitslicht van een camera verlichtte de donkere avond. Enigszins verblind deed hij het raam weer dicht en veegde de sneeuwvlokken van zijn grijsgeruite pyamabroek. Hij schonk zichzelf een warme chocolademelk in, waarna hij aan een lang e-mailbericht begon:
Lieve Laura,
Het is lang geleden dat ik je geschreven heb, maar geen enkel moment ben je uit mijn gedachten verdwenen.