Evel Knievel (1938-2007)

de zelfmoordenaar

De zelfmoordenaar - Piet Paaltjens

In het diepst van het woud
- ‘t Was al herfst en erg koud -
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
Och, zijn oog zag zoo dof!
En zijn goed zat zoo slof!
En hij tandknerste, als was hij aan ‘t malen.

“Harriot!” dus riep hij verwoed,
“‘k Heb een adder gebroed,
Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!”
En hij sloeg op zijn jas,
En hij trapte in een plas;
‘t Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.

En meteen zocht zijn blik
Naar een eiketak, dik
Genoeg om zijn lichaam te torschen.
Daarna haalde hij een strop
Uit zijn zak, hing zich op,
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.

Het werd stil in het woud
En wel tienmaal zo koud,
Want de wintertijd kwam. En intusschen
Hing maar steeds aan zijn tak,
Op zijn doode gemak,
Die mijnheer, tot verbazing der musschen.

En de winter vlood heen,
Want de lente verscheen,
Om opnieuw voor den zomer te wijken.
Toen dan zwierf - ‘t was erg warm -
Er een paar arm in arm
Door het woud. Maar wat stond dát te kijken!

Want, terwijl het, zoo zacht
Koozend, voortliep en dacht:
Hier onder deez’ eik is ‘t goed vrijen,
Kwam een laars van den man,
Die daar boven hing, van
Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen.

“Al mijn leven! van waar
Komt die laars?” riep het paar,
En werktuigelijk keek het naar boven.
En daar zag het met schrik
Dien mijnheer, eens zo dik
En nu tot een geraamte afgekloven.

Op zijn grijzende kop
Stond zijn hoed nog rechtop,
Maar de rand was er af. Al zijn linnen
Was gerafeld en grauw.
Door een gat in zijn mouw
Blikten mieren en wurmen en spinnen.

Zijn horloge stond stil,
En één glas van zijn bril
Was kapot en het ander beslagen.
Op den rand van een zak
Van zijn vest zat een slak,
Een erg slijmrige slak, stil te knagen.

In een wip was de lust
Om te vrijen gebluscht
Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het te spreken.
‘t Zag van schrik zóó spierwit
Als een laken, wen dit
Reeds een dag op het gras ligt te bleeken.

Verschenen in: Snikken en Grimlachjes, 1867

bisschopswijn

Voor 8 personen.

  • 10 kruidnagels
  • 1 sinaasappel, schoongeboend
  • 2 kaneelstokjes
  • 1 fles rode wijn
  • 50 gram suiker
  • 8 kandijstokjes

Kruidnagels in sinaasappel steken. Sinaasappel en kaneelstokjes in een pan leggen en rode wijn en 750ml water erover schenken. De pan zonder deksel op een heel laag vuur zetten en de wijn 1 à 2 uur laten trekken. Wel opletten dat de wijn niet gaat koken.

Met een schuimspaan sinaasappel en kaneelstokjes uit de pan scheppen. Suiker al roerend in de warme wijn oplossen.

De bisschopswijn in hittebestendige glazen scheppen en er een kandijstokje inzetten.

Bron: De smaak van december, 2005.

beirut - st apollonia

havanaise

Havanaise - Henri Meilhac & Ludovic Halévy

L’amour est un oiseau rebelle
que nul ne peut apprivoiser,
et c’est bien en vain qu’on l’appelle,
s’il lui convient de refuser!
Rien n’y fait, menace ou prière,
l’un parle bien, l’autre se tait;
et c’est l’autre que je préfère,
il n’a rien dit, mais il me plaît.

Verschenen in: Carmen (libretto), 1875