Tekst en uitleg van Richard Osinga: “Wembley, mijn derde roman, komt op 1 juni 2006 uit bij uitgeverij Querido. Ik heb het plan opgevat om het boek in zijn geheel online te publiceren. Niet in een stuk, maar in een paar honderd korte stukjes. De bedoeling is dat elk stukje op een ander weblog verschijnt, met een link naar het volgende stukje.”
Dit is fragment nummer 125 van het boek “Wembley” van Richard Osinga.
Cantona zit achter me aan een groot bureau, hij heeft een pen en papier, maar ik hoor hem niet schrijven. Ik draai me om. ‘Waarom schrijf je niet?’ ‘Ik wil eerst weten wat je allemaal nog meer wilt schrijven. Pas dan kan ik er een goede brief van maken.’ ‘Ik weet niet wat ik nog meer wil vertellen. Ik wil zeggen dat ik haar mis. Ze moet weten dat ik van haar hou. Ze moet weten dat ze op me kan wachten, dat ik haar niet zal teleurstellen. Daar gaat het om. Ze moet weten dat ik het wachten waard ben.’ ‘Je kunt vertellen dat je werk gevonden hebt.’ Ik schud mijn hoofd. ‘Nee, dat hoeft niet. Schrijf maar dat ik bijna bij Ajax speel. Dat is goed.’ ‘Je speelt bij Ajax of je speelt niet bij Ajax. Je kunt niet bijna bij Ajax spelen. Waarom vertel je niet over de club waar je nu speelt?’ ‘Rap is geen goede club.’ ‘Ze hebben lichtmasten, vertelde je me. Jullie voetballen zelfs als het donker is.’ ‘We voetballen alleen voor ons plezier.’ ‘Wat bedoel je?’ ‘Rap is geen professionele club.’ Cantona lijkt me nog steeds niet te begrijpen, ik moet het zeggen: ‘Ik krijg geen geld om bij Rap te spelen. Ik speel voor niets. Het is hetzelfde als voetballen op een klein veld zonder lichtmasten in een vergeten wijk. Voor ons plezier.’ Ik heb het nog niet eerder gezegd. Het voelt als een vernedering om het zo duidelijk te zeggen, maar Cantona laat niets merken. ‘Ik wil weg bij Rap. Ik wil naar Ajax. Ajax is een professionele club. Die betaalt zijn spelers wel.’
Dit is een brief aan vaders en moeders - Tjitske Jansen
Dit is een brief aan vaders en moeders.
Ik ben het kind.
Hou me vast en kijk naar me.
Til me op, zet me neer, laat me gaan.
Het kan mij niet schelen hoe u uw geld verdient
en of u succesvol bent.
Geld daar kun je snoep van kopen,
maar ik hoef geen dure koeken bij de chocolademelk.
Alleen maar een dropje op mijn knie als ik gevallen ben.
Alleen maar op schoot.
En als ik op schoot zit, moet u niet altijd tv kijken.
En als u mij een verhaaltje vertelt,
ga dan op de rand van mijn bed zitten.
En zeg dat ik mijn ogen dicht mag doen.
En vraag me hoe het was vandaag want dat begrijp ik best.
En ik zal zeggen dat het fijn was vandaag.
En blijf dan na dat verhaaltje nog even zitten.
En kijk dan naar me.
Verschenen in: Het moest maar eens gaan sneeuwen, 2003
Verwarm de oven voor op 200 graden Celsius.
Vet een lage ovenschaal van circa 20 bij 30 centimeter in.
Verhit de olie in een braadpan en fruit hierin de ui aan. Voeg de spinazie in gedeelten toe en laat de blaadjes telkens al omscheppend slinken. Laat de spinazie uitlekken in een vergiet en druk het vocht eruit. Meng in een kom de spinazie met de munt en de Danish Blue en breng het geheel op smaak met peper.
Spreid de lasagnevellen uit en besmeer ze met de roomkaas. Verdeel de spinazie erover, rol de vellen op en leg ze naast elkaar in de ingevette ovenschaal.
Bestrooi de rolletjes met de geraspte kaas en pijnboompitten. Bak ze in het midden van de oven in circa 20 minuten goudbruin en gaar.
Een schone vrouw met lang rood haar kwam met fiets en al de stoep opgereden, vrolijk draaide het glinsterende groene windmolentje op haar stuur in de rondte. Vlak voor mijn voeten kwam haar rijwiel tot stilstand, ze keek me met vragende ogen aan.
“Had jij het ook gelezen?” Ik knikte beteuterd. “Maar op hun website stond toch, dat ze tot half acht open zouden zijn?” Ik kon haar niet anders dan gelijk geven. We keken beide naar een grote groene maar zeer dichte deur. Op de achtergrond rinkelde een aankomende tram.
“Ik was het eigenlijk helemaal vergeten. Maar toen ik voor half geld toch naar Jolie Holland had gekund, heb ik gelijk mijn fiets gepakt en ben naar hier geracet.” In mijn hand voelde ik mijn sleuteltje en wist hoe ze zich voelen moest. We hadden nog naar het Centraal kunnen fietsen, maar het plezier was er eigenlijk al vanaf. “Een ijsje dan maar?”
Hij schrijft kleine woorden in een schrift.
Ik mag ze niet lezen. En wanneer het toch
gebeurt, mag ik er niets van zeggen.
Ook niet wanneer ik een verbetering weet.
Ik weet er minstens twee.
Verschenen in: Twee zonnen, 2003
De hand van den dichter - H. Marsman
Glazen grijpen en legen;
veel jagen en reizen;
vrouwen omhelzen en strelen;
strijden op felle paarden
en blinkende wateren splijten;
spelen met licht en donker;
den dag en den nacht doorrijden
onder fluweel en schaduw en
flonkrende sterrebeelden.
het staat niet in mijn hand gegrift;
en een hand is een leven, een lot;
ik lees slechts in fijn scherp schrift
- en dit geldt voor vroeger en later -
weinig liefde en wijn, veel water,
soms een racket, een zweep, maar
stellig nimmer een zwaard.
zo is mij enkel bewaard
langzaam maar vast te verwijven
in nijver monnikenwerk:
bidden en verzen schrijven
geel op geel perkament,
en mijn hand alleen te verstrengelen
met mijn eigen andere hand
en in een cel te versterven
oud op een houten bank.