delen

Sprookje - M. Vasalis
Voor mijn moeder en dochtertje

Zij luistren beiden naar haar oud verhaal,
wondere dingen komen aangevlogen,
zichtbaar in hun verwijde ogen,
als bloemen, drijvend in een schaal.

Er is een zachte spanning in hun wezen,
zij zijn verloren en verzonken in elkaar,
- het witte en het blonde haar -
geloof het maar, geloof het maar,
alles wat zij vertelt is waar
en nooit zal je iets mooiers lezen.

Verschenen in: De vogel Phoenix, 1947.

Miwian: Dichters op Dinsdag

snert

Voor 4 personen

  • 3 liter water
  • 300 gram groene erwten
  • 200 gram spliterwten
  • 500 gram krabbetjes
  • 1 varkenspoot of schenkel
  • 250 gram schouderkarbonades
  • 0,5 liter vleesfond
  • 1 knolselderij, geschild en in blokjes
  • 2 preien
  • 1 winterwortel, in stukjes gesneden
  • 2 kruimige aardappelen, geschild en in blokjes
  • 2 uien, grof gesneden
  • 2 laurierblaadjes
  • 2 kruidnagels
  • 2 rookworsten
  • donker roggebrood
  • Stolkse boerenkaas
  • Zaanse mosterd

Week de erwten 24 uur in het water. Zet de erwten met het weekwater en het vlees op het vuur en breng dit geleidelijk aan de kook. Hou het geheel 2 uur aan de kook en schep af en toe het schuim van de soep af met een schuimspaan.

Voeg de fond toe. Voeg de gewassen en in stukjes gesneden groente met de laurier en de kruidnagels toe en laat alles op laag vuur nog een uurtje sudderen.

Haal met de schuimspaan het vlees eruit. Verwijder de botten en snij het vlees in kleinere stukken. Wrijf de hele erwten zonodig met een pollepel tegen de wand van de pan fijn. Doe het vlees terug in de pan, nog even laten sudderen. Blijf wel goed en veelvuldig roeren om een korst op de bodem te voorkomen.

Doe het gas uit. Roer de fijn gesneden en gewassen selderij er door. Laat de rookworsten wellen, snij deze in plakjes en voeg ook deze aan de soep toe. Goed doorroeren.

Laat alles een nacht staan.

Warm de snert voorzichtig en langzaam op. Beleg het roggebrood met de kaas en smeer er lekker de scherpe mosterd over. Serveer opgewarmde snert met het roggebrood.

Restant snert goed laten afkoelen en invriezen. Vries je te vroeg in (dus nog niet volledig afgekoeld) dan loop je de kans dat de snert zuur is geworden.

oud

Op een morgen - Ida Gerhardt

Vroeg opgestaan, wat ruimende in huis,
vind ik in het familiekabinet
achter de la die altijd heeft geklemd
het trouwportret sinds jaren zoek geraakt.

Het raam is licht genoeg: ik wìl geen lamp.
Nog onverbleekt. - Tegen de achtergrond
van een geschilderd landschap staat het paar.
De donkerblonde man, wiens haar de slag,

heeft overdwars waaraan men ons terstond
herkent; het smalle bruidje, in het wit
met het hoogtijgeschenk, de bruidsbouquet.
Gearmd met hem die haar verkoren heeft,

en thans met stille trots een toekomst biedt:
het dagelijks brood; kinderen, een gezin.
Wij, later, waarvan elk tot in de kern
op eigen wijze naar hen beiden aardt.

Ik berg het weg; ik denk onder het werk:
een mens is oud eer hij zijn ouders kent.
Ik kreeg dan toch alsnog van hen bericht.
Daar bij het venster in het morgenlicht.

Verschenen in: Verzamelde gedichten, 2001.

Miwian: Dichters op Dinsdag

gorgonzola, rucola & peer risotto

Voor 2 personen

  • 2 sjallotjes, gesnipperd
  • 200 gram risotto rijst
  • 125 ml droge witte wijn
  • 375 ml kippenbouillon
  • 150 gram gorgonzola
  • 1 middelgrote peer
  • 50 gram Rucola salade
  • parmesaanse kaas

Fruit de sjallotjes in 3 eetlepels olijfolie, totdat ze bruin beginnen te worden. Voeg de rijst toe en fruit nog een 2 minuten. Blus met de wijn. Wanneer dit vocht door de rijst opgenomen is, voeg ¼ van de bouillon toe. Zet het vuur laag. Kook, totdat het vocht opgenomen is. Voeg dan weer ¼ van de bouillon toe en laat deze wederom opnemen. Voeg de kaas toe, laat deze smelten en voeg nogmaals ¼ van de bouillon toe. Laat deze opnemen en inkoken, onder af en toe roeren. Voeg de peer en de overblijvende bouillon toe, kook totdat het vocht bijna compleet opgenomen is en de rijst al dente gekookt is. Meng de Rucola door de rijst en serveer deze met een salade.

© The Passionate Cook

dansen

Boeren Geselschap - Gerbrand Adriaenszoon Bredero
Stemme: ‘t Waren twee Gebroeders stout, &c.

Arent Pieter Gysen, met Mieuwes, Jaap, en Leen,
En Klaasjen, en Kloentjen, die trocken t’samen heen,
Na ‘t Dorp van Vinckeveen:
Wangt ouwe Frangs, die gaf sen Gangs,
Die worden of ereen.

Arent Pieter Gysen die was so reyn int bruyn,
Sen hoedt met bloem fluwiel die sat hem vry wat kuyn,
Wat scheefjes en wat schuyn,
Soo datse bloot, ter nauwer noot
Stongt hallif op sen kruyn.

Maer Mieuwes, en Leentjen, en Jaapje, Klaas en Kloen
Die waren e kliedt noch op het ouwt fitsoen,
In ‘t root, in ‘t wit, in ‘t groen,
In ‘t grijs, in ‘t graeuw, in ‘t paers, in ‘t blaeuw,
Gelijck de Huysluy doen.

Als nou dit vollickje te Vinckeveen anquam,
Daer vongdese Keesjen, en Teunis, en Jan Schram,
En Dirck van Diemerdam,
Mit Symen Sloot, en Jan de Doot,
Met Tijs, en Barent Bam.

De Meysjes vande Vecht, en vande Vinckebuurt
Die hadden heur tuychje te wongderlijck eschuurt,
O se waren so eguurt,
Maer denckt iens Fy // had lange Sy
Heur Onger-riem ehuurt.

Sy gingen in ‘t selsip: daar worden so eschrangst
Gedroncken, gesongen, gedreumelt en gedangst,
Gedobbelt en gekangst,
Men riep om wijn, het most soo sijn,
Elk Boerman was en Langst.

Maer Miewes en Trijntje, die soete slechte sloy
Die liepen met menkander uytten huys in ‘t Hoy,
Met sulck geflickefloy,
En suck gewroet, och ‘t was soo soet,
Mijn docht het was soo moy.

Aelwerige Arent, die trock het ierste mes,
Tuege Piete Kranck-hooft, en Korzelige Kes,
Maar Brangt van Kaallenes,
Die nam een greep, hy kreegh een keep,
Mit noch een boer vijf ses.

De Meysjes die liepen, en lieten dat geschil,
Kannen noch kandelaers, noch niet en stonger stil:
Maer Kloens die stack, en hil
Soo dapper uyt, dat een Veen-puyt
Daer doot ter aerden vil.
Symen nam de rooster, de beusem, en de tangh
En wurrepse Ebbert, en Krelis vuer de wangh,
Het goetjen gingh sen gangh,
Het sy deur ‘t glas, of waer ‘t dan was,
Mijn blyven was niet langh.

Ghy Heeren, ghy Burgers, vroom en wel gemoet,
Mydt der Boeren Feesten, sy zijn selden soo soet
Of ‘t kost yemant zijn bloet,
En drinckt met mijn, een roemer Wijn,
Dat is jou wel soo goet.

Verschenen in: Boertigh Liedt-boeck, 1622

Miwian: Dichters op Dinsdag