ik zag een muis

Met een tas vol presentjes van de Sint in de andere hand deed ik de voordeur naar het portaal open en zag iets snel de trap opschieten. Ik moest het me wel verbeeld hebben. Het glaasje wijn was me waarschijnlijk naar het hoofd gestegen of anders moest het de slaap geweest zijn. Gapend nam ik de post van vandaag door, maar voelde nu toch duidelijk een paar oogjes in mijn rug staren. Hoe je zoiets voelt, dat heeft nog niemand mij uit kunnen leggen. Maar ik voelde het wel degelijk.

De post hield ik in mijn linkerhand en draaide mij om. Daar zat hij, een heel klein veldmuisje, bovenaan de trap bij de buurvrouw van nummer A. Het kleine beestje bewoog niet langer. Van deze afstand zou ik gezworen hebben, dat er een groot uitgevallen steentje op de trap lag. Tenminste, als ik eerder niet iets omhoog had zien gaan.

De stenen trap liep ik op en boog mij naar het muisje toe. ‘Wilde de Sint je niet meenemen naar het warme Spanje,’ fluisterde ik hem toe, ‘ben je soms niet stout genoeg geweest?’ Het beestje rende onrustig twee treden lager en weer terug, ik wist niet dat muisjes zo kwiek een trap op lopen konden. ‘Je weet, dat je hier niet blijven kunt,’ vertelde ik zachtjes, ‘anders zou je mijn buren morgenochtend vast laten schrikken.’ Zijn kleine kopje liet hij een beetje scheef hangen, hij had het vast vaker gehoord en sprong zachtjes piepend op de folder van de Mediamarkt.

Behoedzaam liep ik met de folder nog in mijn hand terug naar de voordeur en opende deze. Ik knielde naar de grond, zodat het muisje makkelijk van de folder springen kon. Hij keek met zijn zwarte kraaloogjes mij nog een laatste keer aan en haastte zich vrolijk piepend nachtelijk Amsterdam in.

En ik? Ik liep met mijn volle tas langzaam naar boven en zong zachtjes:
    Er was eens een muisje in mooi Amsterdam,
    Die zat in een molen heel stiekem verscholen,
    Hij dacht bij zichzelf: ‘Wat is het toch fijn,
    Een muis in een molen in Mokum te zijn.’