vis op vrijdag
Halverwege de overtocht naar de Distelkade wenkte een brede Surinaamse medewerker van het vervoersbedrijf je naar de zijkant van de pont. Nu was je al te verstrooid tussen de auto’s gaan staan, dus wellicht wilde hij je behoeden voor de optrekkende auto’s. Dat dacht je ten minste en liep enigszins beschaamd op hem toe.
Op de brede schouders van zijn donkerblauwe uniform prijkten twee witte strepen, een teken van autoriteit welke hij waarschijnlijk wel zou gebruiken gaan. ‘Gaan jullie naar een feestje aan de overkant?’ vroeg hij uiterst vriendelijk en lachte zijn hagelwitte tanden bloot. Aan zijn waarnemingsvermogen mankeerde dus nog niets.
‘Je houdt zeker wel van vis?’ Deze overgang was je iets te plots, zonder twijfel keek je hem zo mogelijk nog verstrooider aan. ‘Mijn neef werkt in IJmuiden en kan wel aan goede partij zalm voor je komen. Heb je misschien interesse?’ Dan denk je alles verwacht te hebben, maar niet dat je zoiets gevraagd zou worden op de pont naar de overkant. ‘Het is echt heerlijk en supervers. Als je trek hebt, kom dan morgen naar de Distelkade en maken we een mooi prijsje.’
Staande aan de wal keek je nog ene maal naar de man in uniform en vroeg je af, of hij nu echt serieus geweest was. Het zou toch te mooi zijn, waar kun je in Amsterdam immers nog echt verse vis bekomen? Maar gekker moest het toch eigenlijk niet worden.
Plaats een opmerking