In de namiddag-editie werd een reporter van het Radio1Journaal over de boekenmarkt van Deventer geleid. We leerden, dat deze boekenmarkt de grootste van Europa was, waar voor iedereen wat te vinden zou moeten zijn. De geluidsbeelden van de reportage brachten ons de sfeer van een gemoedelijk dorpsplein.
Een vrouw in bloemetjesjurk sprak de reporter daar op dat plein aan. Hij verwonderde zich, waarom ze een huishoudtrapje bij zich had. De vrouw bleek de gedichtenfluisteraarster te zijn, ze fluisterde de liefhebber op ieder gewenste hoogte een gedicht in. Als een vrouw te lang mocht zijn, dan ging ze op het trapje staan en als een man kleiner zou zijn, dan mocht hij het trapje betreden. Zo lief en gemoedelijk, deze fluisteraarster zou je zo in je armen willen sluiten.
Terwijl in het westen van het land de Amsterdam Pride en Monaco aan de Maas luidruchtig het weekend teisterden, stond in het oosten midden op het plein een vrouw in bloemetjesjurk mensen gedichten in te fluisteren. Zou er in de koekstad wellicht een huis-, tuin- en keukennicht gelopen hebben, die de strijd van de emancipatiebeweging dan wel ondersteunt, maar zich in deze gemoedelijke sfeer meer op zijn gemak voelde?
(oorspronkelijk gepost op FanlogRadio1Journaal)
Hij zat op de trap voor zijn woning met wat jonge jongens om zich heen. ‘Mag ik je wat vragen,’ vroeg hij jou in het voorbijgaan. Je was stil blijven staan, alhoewel je niet begrepen had wat hij had gezegd. Zijn stem moet je vertrouwd overgekomen zijn, dat moet haast wel.
‘I am sorry, but I don’t understand Dutch,’ vertelde je hem, ‘Do you speak any English?’ Hij zette zijn zonnebril op, leek de jongens voor even vergeten te zijn en nam je hand tussen zijn eigen gerimpelde handen. ‘My dear, I wandered around this world. I could speak any language you would like me to speak.’ Hij vertelde je over zijn moeder en hoe hij in de oorlog hier terecht gekomen was. Je luisterde. Je moest wel luisteren, zoals iedereen altijd weer door hem gefascineerd raakte. Zachtjes begon hij voor je te zingen, alsof er voor hem op de hele wereld niemand anders bestond dan jij: ‘Voor degene met ‘t open gezicht, voor degene met ‘t naakte lichaam, voor degene in ‘t witte licht, voor degene die weet, we komen samen’.
Met van opwinding verkleurde wangen stond je op, omhelsde hem en bad hem een goed leven. Met zijn vochtige hondenogen keek hij me aan. ‘Wees zuinig op haar, zo zijn er niet velen.’ Onderweg naar huis leek je wel een vuurvliegje. Je zag mij naar je staren, waarop je fluisterde: ‘He seems to understand life better than anyone, such a shame that it seems to have caught up with him.’