aan tafel

De trap naar de zaal liepen we naar boven. ‘Kijk!’ Je wees naar beneden en ik volgde je vinger. Dat had ik dus beter niet kunnen doen, het gevoel te vallen had zich al van mij meester gemaakt. ’s Avonds zou hier een concert zijn in het kader van Aqua Musica, maar we waren allebei te nieuwsgierig naar het nieuwe gebouw. Mijn handen verkrampten aan de leuning van de trap en voor enkele momenten durfde ik me niet te bewegen, alsof de leuning anders verdwijnen zou. Meewarig schudde je het hoofd en pakte de camera uit mijn rugtas. ‘Jullie zijn ook allemaal hetzelfde.’

Je ging over de leuning hangen en wees nogmaals naar beneden. ‘Zie je, ze hebben de tafel alvast laten staan voor de uitzending van maandag. Kun je je voorstellen, dat wij daar aan die tafel zouden zitten. Dan was jij mijn Matthijs en ik jouw Hadassah.’ Je maakte me aan het lachen, waardoor ik meer ontspannen naar beneden kon kijken. Het bleek maar weer, dat op televisie alles groter leek. Je maakte een foto, gelukkig niet van mij.

onbevangen

Vanaf volgende week zal ik tijdelijk ergens anders werken en gister kreeg ik op straat opeens het idee om dan iets mee te nemen, waar ook mijn collega’s iets aan zullen hebben. Je hebt dan iets om over te praten, wat mijn nervositeit ten goede zou komen. Geen hoofd vol watten, samengeknepen keel of trillende handen vol zweet. Alles wat mijn zenuwen in bedwang houden kan, komt ook mijn werk ten goede. Dat is althans het idee.

In het warenhuis zag ik opeens een weckpot vol zuurtjes staan. Alle weerstand was gebroken. Voor ik er erg in had, stond ik ermee onder mijn arm in de rij voor de kassa. De rij wilde maar niet vlotten, maar stelregel was niet te veranderen van rij. Wanneer je wisselt, zal de oude rij opeens veel sneller lijken te gaan. Rustig zijn. Kalm blijven. Je hebt nog twee pinksterdagen om je druk te maken. ‘Het zal weer niet zo een hoofddoek zijn. Hadden ze er geen Hollandse neer kunnen zetten, dan waren we nu al thuis geweest.’ De vrouw voor me had nog slechts twee voor haar, maar maakte zich er wel druk om. Besloot me er niet mee te bemoeien. Je kunt er wat van zeggen, maar wat schoot je ermee op? Het meisje achter de kassa was met een vrolijke uitdrukking op het gezicht bezig een klant te helpen.

De weckfles zette ik op de toonbank neer en zei haar, dat ze maar niets van zulke mensen aan moest trekken. Ze haalde haar schouders op. ‘Dat ben ik al heel erg lang geleden verleerd, anders ben ik er de hele dag mee bezig.’ Aan haar collega vroeg ze een stukje plakband en wat vloeipapier, zelf zat ze zonder op het moment. Zo vriendelijk en onbevangen heb ik het iemand nog niet horen vragen. Ze bezwoor zelfs, dat ze het haar straks wel terug zou geven. Papier ging vloeiend om het glazen omhulsel en werd met plakband vastgezet. Zo kon het toch niet stuk gaan en zou de inhoud ook nog onaangeraakt blijven. Bij dat laatste kon ze een knipoog vanonder haar hoofddoek maar net onderdrukken en ik schoot in de lach. ‘Wil je, dat ik het voor je in een tasje doe?’ Ach, het kon nog wel in mijn rugtas. Maar ik zou wel willen, dat ik alvast zo onbevangen zijn kon.

oud zuid

De naald was uit mijn arm gehaald en de buisjes met de donkerrode inhoud werden door de zuster zorgvuldig opgeborgen. Hier was ik niet langer nodig. ‘Vergeet je straks niet je pas te laten verlengen?’ De verpleegsters zijn er nog even lief. Ik zwaaide ze een mooie dag en stapte op de fiets de lentezon tegemoet.

Voor het Hoofddorpplein sloeg ik af de Westlandgracht op. ‘Dan maar niet meer!’ Je laatste woorden kwamen plotseling weer naar boven. Ik slikte. Je was er echt zelf over begonnen, maar wilde mij op een gegeven moment slechts nog verkeerd begrijpen. Op de hoek bleef ik midden op de weg staan en keek omhoog. ‘Zo wil ik niet behandeld worden, ook niet door jou.’ Je was niet eens meer van plan mijn woorden niet te verdraaien.

In jouw erker stond een oudere vrouw haar planten te verzorgen, wachtte even om van het uitzicht op het Andreas te genieten en lachte naar me. Je woonde al op jezelf, wat ik destijds best stoer vond en kwam dan ook graag bij je. Ook om met een bord pasta op schoot samen een videootje te kijken. De schoenen stonden altijd buiten op de gang te wachten, zou de vrouw ze ook daar hebben staan?

Ik ging weer op het zadel zitten en liet de remmen los. Al peddelend zwaaide ik voorzichtig in de richting van de vrouw en fietste de brug naar het Vondelpark op. Bij het Snoephuisje heb je me nog leren skaten, wat met meer vallen dan opstaan ging. Je probeerde me dan op te vangen. Wat je meestal lukte, je was immers niet veel kleiner dan ik was. Dan nam je mijn hoofd in je handen en drukte je neus tegen de mijne. ‘Laten we maar pannenkoeken gaan eten,’ ik hoorde het je nog fluisteren.

Ik fietste het park uit en reed de kerk rechtsom de Overtoom op. ‘And all I taught her was everything…’ Je was hier naast me komen fietsen. ‘I know she gave me all that she wore, ’ zong je met me mee. Je had het nummer de dag ervoor voor het eerst op de radio gehoord en had net de cd gehaald. Je kende me nog niet, maar vroeg me samen te gaan luisteren bij jou thuis.

Het verband van bloedprikken rukte ik van mijn arm en gooide het in de prullenbak aan de stoepkant. Het bloeden was al lang gestopt en Oud Zuid had ik achter me gelaten.

aantekening

Het is niet, dat ik de dingen simpel vergeet. Het is niet, dat mijn geheugen is als een vergiet. Ik voel me zekerder, wanneer ik de dingen op papier stel. Wanneer ik me iets eigen wil maken, helpen geschreven woorden mij een eigen systeem in de regels van de ander te vinden. Er zijn er, die het als een zwakte zien. Die er een voorstelling aan willen geven, alsof ik traag zou zijn in het aanleren. Met mijn memorie is niets mis, achterlijk ben ik evenmin. Zij zijn het, die voor een rood licht weten te wachten, maar niet kunnen doorgronden waarom en wanneer er weer een doorgang zijn zal.

schuchter

Een aantal zware boeken haalde onze gastvrouw van de plank en legde deze voorzichtig voor haar neer. ‘Hier ergens moet ze zitten, net zag ik haar nog.’ Ze keek van de zijkant de boekenkast in, waar vanuit het donker twee amandelvormige ogen de kamer inkeken.‘Wanneer er vreemde mensen bij zijn, is ze een beetje schuw. Zelfs door mij laat ze zich niet altijd aanhalen.’ De volslanke zwarte kat rekte zich lenig uit op de houten vloer en bekeek die twee vreemde mensen en haar baasje eens schichtig doch nieuwsgierig aan.

‘Niet bewegen nu, ze zit onder je stoel. Als je haar bij je probeert te laten komen, zal ze waarschijnlijk wegschieten.’ Door mij laten ze zich meestal toch niet aanhalen. Katten zullen zoiets voorvoelen, denk ik wel eens. Prachtig was ze wel. Mijn andere disgenote was meer een kattenmens, waardoor het fraaie beest maar al te graag wilde tonen, waarom zulke bewegingen ‘katachtige bewegingen’ genoemd worden. Helaas wilde het fotograferen ervan niet geheel en al lukken, maar mijn glimlach bij het zien van zoveel speelsigheid moet toch ook ergens voor geteld hebben?