landerig

De man naast me in het vliegtuig was nogal verbaasd, dat zo een white boy als ik naar de Rio Grande Valley vloog. De eerste mogelijkheid die zich aanbood, had hij met beide handen aangegrepen om er weg te gaan. Elke dag nog miste hij de open vlakte’s, het mooie weer en de zee bij South Padre Island. Elke dag nog. Maar elke dag dat hij er langer bleef, voelde hij de druk van zijn familie om zich aan te passen aan de tradities en daar had hij geen zin in. Bovendien was er hier voor hem geen werk te vinden, net zoals voor zovelen als hij, en vertrok naar New York. Niet dat hij het daar in de grote stad zoveel beter had als in Mission, maar daar kon hij opgaan in de massa. Hij kon onzichtbaar de adem van de stad opsnuiven, de dynamiek door zijn aderen voelen stromen. Waarom kwam ik dan uit Amsterdam naar de sufste streek van de Verenigde Staten? Hij kon het maar niet begrijpen.

Een vochtige hand voelde ik op mijn mond gelegd. ‘Waar ben je met je gedachten?’ Je vingers smaakten naar lammetjesspeeksel. Wat niet vreemd was, de kleintjes wisten nog niet van mensen met vreemde voorkeuren en liepen voorzichtig dartelend naar de nieuwsgierige mensen aan het schrikdraad, die er deze zonnige lentedag met hun tweewielers op uitgetrokken waren. Ook wij waren de grote stad uitgegaan. ‘Zou jij ooit weer terug willen naar het noorden?’ Mijn vraag deed je in lachen uitbarsten. ‘Wat denk jezelf? Dat ik mijn vrijheid opgeef en terug ga naar het dorp? Bij mijn ouders ga ik graag langs, maar geen haar op mijn hoofd wil er weer gaan wonen.’ Je ging op je tenen staan en raakte spottend met je wijsvinger het topje van mijn neus aan. ‘Je bent opgegroeid in de stad en hebt een te rooskleurig beeld. Niet elk dorp is zo ruimdenkend als Heiloo, zeker in het noorden zou het je benauwen.’ Ik wilde beginnen over de nadelen van de stad. Dat de mensen er als los zand langs elkaar heen leken te leven, dat er mensen zijn die zich in de stad verliezen. Maar je luisterde al lang niet meer, de lammetjes waren daar ook te ontwapenend voor.