chassékerk
In opgewekte stemming zag ik de mensen het gebouw verlaten. Voorbijgangers bleven naast mij staan, vol verwachting van wat zou gaan komen. De grote deuren zwaaiden nogmaals open, een jonge vrouw en man stapten de middagzon in. Zij was geheel gekleed in een witte jurk met lange kanten sleep, hij in een grijs kostuum met hoge hoed in de hand. De wangen blozend keek ze hem glunderend aan, veegde de gemorste melk van zijn kin en zoende hem. Terwijl ze de trap naar beneden liepen, werd rijst over het paar gestrooid. Ze moesten later wel veel geluk gehad hebben in hun leven. De felle zonnestralen lieten de kerk zo schitteren als een prachtige bruid, dat ik even mijn ogen dicht deed.
Met ogen weer open was kou in de lucht getrokken en de kerk veranderd in een vervallen gebouw. Al de ramen waren ingegooid, de buurt leek deze god niet langer nodig te hebben. Toch was niet alles aan de kerk verbleekt tot een vage herinnering. Aan beide zijkanten waren de deuren in glas-en-lood geverfd, als een stille hint van wat komen gaat. Zouden de kinderen van de omliggende scholen misschien de klus mogen klaren en er een vrolijk interieur van kunnen maken? Niet dat het weer een kerk moet zijn, het zou immers een mooie behuizing voor het wijkcentrum aan de overkant kunnen worden. En anders zou het een geweldige aula voor de scholen kunnen zijn. In vrolijke gedachten liep ik langzaam terug naar de Kinkerstraat en zag op één van de muren, dat Fleur van Henk houdt. Ware liefde bestaat toch nog, daar heb je god ook niet speciaal voor nodig.