priadel

Vanaf het ezelsoor keken ze over het plein, dat zo laat op de avond nog vol met mensen was. Hij gaf haar de beker bier. Ze veegde met de rug van haar hand de schuimen snor boven zijn lippen weg. Achter de droefenis op haar gelaat zocht hij naar een glimlach. Tevergeefs.

‘Ik kan dit leven niet aan en val,’ had ze hem gister terloops gezegd. Haar ogen waren zonder emotie gebleven, waar haar handen trilden als een blad in de herfstwind. Hij fluisterde haar te willen helpen. Als ze erover wilde praten, zou hij daar zijn voor haar. Haar pleister op de wonde.

Ze had meewarig geglimlacht. Dat ze er juist niet over praten wilde, dat dat niet zou helpen. Dat het juist zo fijn was, dat ze het met hem over andere dingen kon hebben. Dat ze het nu allemaal heel even erg simpel houden wilde. Dat ze hem zeer lief vond, maar dat op dit moment niet kon laten voelen. Dat het haar zo speet, terwijl hij zo aardig was voor haar. Waarom hij haar niet gewoon voor een ander inruilde. Iemand, die liever voor hem zijn kon.

Zijn bier kreeg hij niet doorgeslikt. Wat te doen, wist hij ook nu niet. Hij voelde zich buitenspel gezet, iedere keer weer. En hij wist, dat het over zou gaan. En weer terug zou komen. Hij wilde bij haar binnendringen, voelen wat daar binnenin haar leefde. Dat wegnemen, wat dit veroorzaakte. Tegelijkertijd was hij bang, voor wat daar aan te treffen.

Zijn handen pakten de hare, waarmee hij haar omhoogtrok. Haar armen rond zijn nek en zijn handen op haar rug, zo wiegden ze samen op de muziek die vanuit de verte zachtjes door de nacht klonk. ‘Ik hou van je,’ fluisterde ze, ‘en ben bang voor de dag, dat je er niet meer voor me zijn zal.’

borrel

Voordat hij het wist, fietste hij mee de nacht in naar nog een andere kroeg. De avond was begonnen met een nieuwjaarsborrel en hoewel hij zich enigszins op de achtergrond gehouden had, was het plezant geweest. Hij had het daarbij moeten houden, dat was beter geweest.

Nu was hij over gebleven met de mensen, die elkaar beter kenden dan zij hem en voelde zich langzaam opgesloten worden door ruggen en gesprekken, waar hij niet het zijne van wist. Niet dat het hun opzet was, verre van dat. Soms gebeuren dat soort dingen gewoon en hij begreep, dat hij op dat moment er niet thuis hoorde.

De kroeg ging sluiten en ze besloten hun heil elders te gaan zoeken. Hij haalde zijn fiets van het slot en wenste hen nog een fijne nacht. Onderweg ging zijn telefoon. Degene aan de andere kant van de lijn had net een late shift achter de rug en wilde even langskomen. Natuurlijk kon dat.

zee

Twijfel, twijfel over het al dan niet te doen. De vorige avond was het laat geworden, maar Hansje had al gezegd in het diepe te gaan springen op die koude eerste dag van het jaar. Zij is een held. Aukje en ikzelf, wij durven niet. Op het strand begint het toch te kriebelen. Iedereen begint zich om te kleden en te preparen voor het water. We doen leuk mee met de warming-up en maken veel foto’s van de soms eigenaardig uitgedoste badgasten.

Dan is het moment daar, dat de helden het water instormen. Ik probeer ze bij te houden. Het viel wat tegen, dat niet iedereen zich daadwerkelijk helemaal door het water liet onderdompelen. Maar wat had ik te klagen? Ik ging helemaal het water niet in. Ik maakte foto’s van de helden. Ik was de lafaard. Volgend jaar mogen anderen waarschijnlijk foto’s van mij gaan maken.

Na de duik weet Kees in de menigte Aukje te herkennen en met zijn vieren lopen we nog een stuk het strand van Scheveningen af. Onderweg weet ik een wit steentje onder het zand te vinden. Misschien dat iemand aan de andere kant van de wereld op dat vreselijke moment ook wel net een mooi steentje of misschien zelfs een scheermesje vond. Ik bijt op mijn lip en veeg het natte zand ervan af.

Zachtjes neurie ik: ‘Het is een mooie dag, een mooie dag voor…’ De zin durf ik niet af te maken. Het was een mooi gezelschap om de eerste dag mee te beleven, maar de zee behoudt voor mij nog even een angstaanjagende aanblik. Deze zee geeft en deze zee…

steen

Een steen raapte ze van de grond op en liet deze door haar hand glijden. Het was een lichtgrijze steen zonder puntige hoeken, eigenlijk was de steen helemaal rond en glad. ‘Het was echt erg leuk met je,’ glimlachte ze, ‘als het anders had gekund, was ik bij je gebleven.’

De steen pakte hij met beide handen en blies er zijn warme adem over. ‘Wanneer ik me iets wil herinneren, dan neem ik er een steen mee vandaan. Elke keer als ik deze steen in mijn handen voel, voel ik jouw zachte huid op de mijne. Dan zal ik me warm voelen van binnen.’

De steen gaf hij haar terug en pakte daarbij ook haar hand. ‘Ik zou ook graag willen, dat het anders was. Maar ik moet weer terug en zal niet meer hier komen. Dat is niet mogelijk, dat weet je.’ Zijn hand gleed traag uit de hare.

Ze pakte haar rugtas, waarbij hij haar hielp deze op haar rug te doen. De bus deed zijn deuren open. Ze kuste hem nog een laatste keer, waarna ze de bus betrad. Voordat ze ging zitten, deed ze het raampje open. ‘Neem jij hem maar, dan ben ik toch nog nog een poos bij je.’

De steent ving hij op, waarna de bus snel uit het zicht verdween. Tegen zijn lippen drukte hij het en voelde haar langzaam naderbij komen.