De eieren moest ik even laten schrikken onder het koude water. Het moment dat ik de badkamer binnenkwam, fladderde je onbezorgd in de richting van het zojuist aangedane licht. Korte tijd maakte paniek zich van mij meester, ik wilde je helemaal niet daar hebben. Je hoorde daar niet, dat was niet jouw plek.
Instinctief herpakte ik mijzelf en reikte naar mijn wapen, wat niet meer was dan een flink stuk keukenpapier. Ik vouwde deze dubbel om de luchtdruk te verminderen en zo het element van verrassing te behouden. Je ging tussen twee leidingen in zitten, ik wachtte mijn kans rustig af. Je bewoog uit je schuilplaats en een eerste poging werd ondernomen. Je was me te snel af en zocht een veilig heenkomen in de bol van de badkamerverlichting. Stil hield ik me, net alsof er geen dreiging meer voor je was.
Onbewust van het grote gevaar vloog je in de richting van de spiegel en streek links ervan neer, onwetend dat dat de perfecte plaats was voor het begin van mijn aanval. Heel langzaam bracht ik het stukje keukenpapier in je richting. Toen het onheil millimeters boven je hing, sloeg ik snel toe en hoorde je pantser kraken. Je pootjes bewogen nog heftig. Fluks drukte ik het papiertje nog een keer samen in de wasbak, een laatste hevige krak moest samengegaan zijn met je laatste adem.
Je verdween met papier en al in het toilet en na vele spoelingen moest je wel in de riolering terecht gekomen zijn. Behoedzaam verwijderde ik in de badkamer de sporen van jouw bestaan. Ze kunnen me niets maken, alleen jij kunt me de rest van mijn leven nog in het diepst van mijn nachtmerries blijven najagen.
De eieren waren genoeg geschrokken. Ik pelde ze en sneed ze boven de spinazie in plakjes.
Hij zwaaide breedlachend in haar richting. Verdwaasd keek ze wie er achter haar stond, maar daar was niemand. Aarzelend zwaaide ze terug. Ze verzuchtte beduusd, dat ze er meer vertrouwen in moest hebben. Meer vertrouwen, dat er mensen zijn die blij waren. Blij waren, dat ze er was. Om wie ze was. Ze zwaaide nog een keer weifelend terug, een timide glimlach verscheen.
Vanmorgen was dan de eerste dag, dat ik in mijn nieuwe zwembroek met stoere zwarte zwembril naar het zwembad zou tijgen. De wekker gaf kwart voor zeven aan en de wolken buiten wilden maar niet van wijken weten. De wolken werden almaar donkerder, de eerste spatten vielen al. Wat te doen? In de spatregen zwemmen is best leuk, zeker wanneer je onder water bent en dan boven het water nog een paar spatjes natter wordt. Het klinkt gek, maar dat is echt een fijn gevoel. Een paar spatjes, maar daar leek het vanmorgen niet bij te blijven.
De rugtas gepakt liep ik de deur uit, de beslissing zou ik wel nemen als ik buiten was. De spatjes waren spatten geworden. Ik greep naar mijn strippenkaart, dan maar een watje. Het warme water van het binnenbad voelde heerlijk aan, toen ik rustig mijn baantjes trok tussen de rest van de ontwakenende zwemmers. Uiteindelijk was vanmorgen de grote regenbui uitgebleven. Het buitenbad zou wel komen, besloot ik, als het droger weer zou zijn. Vanaf vandaag was ik bikkel af.
Ze trok de gele stof van haar jurk omlaag en keek naar zichzelf in de grote spiegel aan de muur. Terwijl ze om haar as draaide, knikte ze goedkeurend. Dat zag er allemaal goed uit. Maar plotseling bleef ze stilstaan. Zuchtend keek ze naar beneden, waar je inderdaad kon zien dat ze er iets onder droeg. Voordat ik kon zeggen dat dat nadeel niet opwoog tegen de voordelen, wurmde ze de handen onder haar jurk. Het slipje wierp ze triomfantelijk in mijn gezicht. ‘Maar wil je me dan waarschuwen, voordat iemand datgene ziet dat verborgen zou moeten blijven?’ Op de suggestie of ze dan niet liever weer iets aantrok, kwam een meewarige blik in haar ogen. ‘Dat begrijpen jullie mannen toch niet.’
De avondzon scheen loom op de nieuwbouw van de uni, het moment dat we de bioscoop aan de overkant voorbijliepen. We liepen de trap naar boven op, de voordeur voorbij kwam de feeststemming fluks op ons af. Het was leuk, het was gezellig, zoals alleen de goede feestjes kunnen zijn. En God weet, dat je maar zelden een goed feestje mee zult maken in je leven. En un momento dado zag ik haar onderuit zitten gaan in een luie stoel. Ik wilde haar nog waarschuwen, maar een gesprek met de vriendin van de gastheer hield mijn aandacht gevangen. Ze zag mijn blik. De vriendin praatte rustig verder over de kruisbestuiving tussen Engelse en Deense literatuur. Ze kruiste verschrikt de benen snel, haar wenkbrauwen gingen veelzeggend omhoog.
Het was dat die vriendin samen met ons de taxi naar huis ingestapt was, anders hadden we er dan al verlegen om kunnen grinniken. Maar begrijpen doe ik het nog steeds niet.
“Reis je vaak met de tram?”
“Ja.”
“Met welke tram reis je het meest?” Ze liet haar pen zweven boven de stippellijn waar weldra mijn antwoord zou komen te staan.
“De 10,” antwoordde ik, “en meestal stap ik op het Leidseplein over.”
Ze knikte afwezig en vulde ‘10′ in.
Enthousiast vuurde ze de rest van de vragen op me af, blij als ze was dat ze eindelijk een slachtoffer had gevonden.
Ik schatte haar achttien. Waarschijnlijk was ze net aan een studie begonnen in Amsterdam. Ze had een mooie stem om naar te luisteren.
“Zing je eigenlijk?” vroeg ik plots. Het meisje keek verbaasd op.
“Zingen? Nee,” zei ze lachend, “ik zing alleen maar onder de douche. En jij?”
Ik bekende haar dat ik af en toe mijn gitaar pakte en een liedje zong.
Hotel California bijvoorbeeld. Of House of the rising sun. Maar verder dan dat kwam ik niet.
“Ik wil schrijfster worden,” zei ze terwijl ze dromerig voor zich uit staarde. “Ik wil net zo groot worden als Agatha Christie. Of Nicci French. Ik heb alle boeken van ze verslonden. Ze inspireren me. Nu schrijf ik zelf verhalen. Ik vind het heerlijk om mijn eigen wereld te scheppen en me op papier niets aan te trekken van de regels die de maatschappij heeft opgesteld.”
“Wat studeer je dan?” Ik merkte dat ik nieuwsgierig werd naar de persoon achter dit meisje.
“Ik studeer nu Nederlands. Een prachtig vak. Taal leeft. In taal kun je graven, zoeken en vinden. Vind je niet?”
Ik knikte. “Maar laten we ons weer concentreren op de vragenlijst, anders zitten we hier morgen nog,” zei ze.
Toen er een half uur voorbij was gegaan sloeg ze haar map dicht en stak een hand naar me uit. “Bedankt voor je medewerking,” zei ze vriendelijk. Ik schudde haar de hand en zei dat het geen probleem was.
“Kijk, daar is de tien.” Ze wees naar de tram die kwam aanrijden.
“Laat ik die maar nemen.” Ik zei haar gedag, wenste haar succes met de enquête en sprintte naar de overkant. Ik ging achterin naast een raampje zitten en keek naar haar. Terwijl de tram wegreed zwaaiden we met een brede glimlach op ons gezicht naar elkaar. Eenmaal uit zicht haalde ik de kaart die ik voor mijn tante had gekocht uit mijn jaszak.
Opeens wist ik wat ik op de kaart moest zetten.