athene aan mij voorbij

Met de souplesse van een hordeloper probeer je fluks onder de steiger aan het begin van de Heiligeweg te lopen. Met gevoel voor stijl weet je telkens je voeten net hoog genoeg te tillen, dat je niet over een tussenliggende stang valt. Je laat je niet afleiden door ijs en chocola, de Hema wacht op jouw komst. In gedachte hebben ze de loper al voor je uitgelegd. Een gouden medaille wordt je omgehangen en het kassameisje zoent je bewonderend op beide wangen. Een voet bevindt zich al buiten de steiger, de ander zweeft boven de laatste tussenligger.

Je voelt, dat je te vroeg zal dalen. Je rechterschoen blijft haken achter deze dwarsligger. De souplesse is weg. Het gevoel voor stijl is weg. Ook de loper is weer terug de kelder in. Je neus heeft reeds kennis gemaakt met de straatstenen. Het is nu zaak zo onzichtbaar mogelijk weer op te staan en te doen of er niets gebeurd is. Hinkelen doen we straks in de Kalvertoren wel. Het meisje achter de kassa vraagt alleen maar of mijn neus soms verbrand is.

omstanders

Een oude man komt terug van de oorlog en klopt wederom aan bij de twee oude vrouwtjes in het bos. Waar zij op zijn heenreis niet voor hem wilden stoppen met dansen, deden ze nu de deur voor hem open. De man had overduidelijk niet lang meer te leven. ‘Je mag vannacht wel tussen ons in blijven slapen, met de handen onder onze hemden,’ zei één van de dames. De man trad hun woning binnen en deed zich liggen tussen de twee dames in. Zijn handen verwarmden zich onder hun beider hemden. ‘Ik… beru’ Ik… be’ ‘Ik…’ Hij probeerde ‘Ik berust’ te zeggen, maar hij had er de kracht niet meer voor. Tussen de twee dames in slaakte hij zijn laatste zucht. één van de dames ging uit bed en deed het nachtlampje aan. In een boekje zocht ze deze manier van sterven op en deed er een briefje tussen, opdat ze het hoofdstuk morgen zouden kunnen lezen. Ze deed het lampje weer uit en keerde terug in bed. Ze draaiden zich op hun zij en zo sliepen de beide dames in.

De mooie rijzige vrouw keek bij het vertellen van dit verhaal recht de zaal in. Tijdens het spel hadden we gelachen om de situatie, na moeten denken over hoe jezelf zou reageren en gegniffeld om de gevatte opmerkingen. Omstanders was tot dan toe een prachtige voorstelling, waarin twee vrouwen de onzin van gelukzaligheid proberen te achterhalen. Of dat nu eigenlijk wel bestaat, dat geluk. Maar nu had zij met haar wonderschone stem ons volkomen stil gekregen, daar wij allemaal volkomen bevangen waren door haar vertelling. De arme man, het ware slachtoffer van de twee berekenende vrouwen, wisten wij niet langer te verdrinken en de andere vrouw lag niet langer op haar borsten. Er was alleen de oude man, hij was gestorven tussen twee vrouwen in.

Onderweg naar huis zag ik in de schemer van de avond een groep mensen op een gracieuze manier afwerende bewegingen maken met een lange stok. Als je me zou vragen wat ze aan het doen waren, dan zou ik je vertellen dat ze kendo aan het beoefenen waren. Zeker weten doe ik het niet, maar dat zou niet uitmaken. We zouden dromen, dat we een meisje en een jongen waren in een land hier ver vandaan. Jij zou een prinses zijn en ik je beschermende samoerai. Ons kennende zou dat ook andersom kunnen zijn, maar vrouwelijke samoerai waren er geloof ik niet. En als je me zou vragen wie ik zou willen zijn, degeen die verdrinkt of degeen die achterblijft, dan zou ik je antwoorden degeen te willen zijn, die achterblijft. Dan zou ik jouw pijn en de pijn van het jou niet meer kunnen zien maar wel voelen, voor altijd binnenin me dragen. Ik zou dan in mijn slaap stil jouw naam blijven fluisteren. Degeen naast me zou dan wakker worden en ik zou haar over je vertellen. Heel even lijkt het dan of zij jou is. Als je nu naast me zou lopen, dan zou ik je kussen en eindelijk durven vertellen hoe gek ik op je ben.

schemer

Het is nog net geen licht geworden buiten. De stem op de radio vertelt, dat Steve Wonder nog heel even jarig is. Hij zingt een mooi lied. Ik zet het raam verder open en voel de ochtendkilte de naaktheid van mijn borstkas prikkelen. Een paar handen lijkt langs mijn rug omhoog te gaan, je lichaam komt langzaam tegen het mijne aan. Je kussen verraden je gevoelens, maar je zegt niets. In de verte begint de eerste tram zijn rit naar het Azartplein en ik besef, waarom je niet langer iets zegt. Je bent er alleen nog in mijn gedachten. De tijd tussen donker en licht is een verradelijke.

dodenherdenking 2004

Anke Kraster (16) uit Oostwold heeft de dichtwedstrijd ‘Dichter bij 4 mei’ gewonnen en mag haar gedicht Verhalen voordragen tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei op de Dam te Amsterdam.

Verhalen - Anke Kraster
Doffe diamanten op de wang van de grijze
Zij weet de schaduwen van de donkere nacht
Een blik van vroeger uit troebele ogen

Het verhaal van de adelaar
Het verhaal van het afscheid zonder afscheid
Het verhaal over het niet meer zingen op straat

De schaduwen van de donkere nacht
Het verhaal over een afscheid dat nooit een afscheid is geweest.

Altijd

De stilte.

tussen de schuifdeuren

Op de hoek van de Paulus Potterstraat en de Van Baerle stonden we in de rij voor drie bier, twee jus en een cola. Vanuit de verte hoorden we een sirene dichterbij komen. ‘Het zal toch niet dat zooitje van Idols zijn?’ Hij zei het spottend, maar daar draaide een open limousine de Van Baerlestraat op. Vanaf de achterbank zwaaiden Maud en Boris naar de mensen op de straat. Misschien kwam het, omdat ze eerder niet naar de hoofdstad mochten komen. Dat de mensen niet geloofden, dat ze toch nog die mensen van televisie in het echt mochten aanschouwen. Daar kan het aan gelegen hebben. Toch bleef het vreemd, dat de twee finalisten van televisie of niet herkend of misschien wel genegeerd werden door bijna iedereen. Een enkeling riep nog luid de naam van de zingende hockeyster, maar daar bleef het wel bij. We keken elkaar verbijsterd aan, was dat nu al de impact van het televisieprogramma? Vijf minuten later waren we het echter alweer vergeten, je kon immers met eieren gooien naar mensen achter een schutting!

’s Morgens hadden we met elkaar afgesproken bij de brandweerkazerne op de Rozengracht. Het was nog vroeg, dus maakte ik een kleine omweg via de Haarlemmerdijk en de Prinsengracht. De telefoon ging. ‘He jongen, hoe gaat-ie! Ik steek net de Tuinstraat over, maar dat hoor je waarschijnlijk al. ‘kBen binnen tien minuten bij jullie.’ In deze zijstraat was het heel erg rustig, blijkbaar liepen de mensen alleen de hoofdstraten. Muziek klonk uit een woning, waarvan de bewoners de ramen wagenwijd open hadden gezet. In de huiskamer speelde een oudere Surinamer relaxed op zijn piano, terwijl zijn muzikale partner in de raamopening over de snaren van zijn contrabas gleed. Sometimes I’m happy. Verder bleef er niemand staan, maar de twee gingen zo op in hun spel, dat ze mij waarschijnlijk niet eens opgemerkt hadden. ‘Peterson klinkt mooi op zo een dag als vandaag,’ zei de man vanuit de huiskamer. Ik kon niet anders dan knikken, zeker zoals die twee het net gespeeld hadden. En dan nog voor mij alleen ook. Ik gooide een muntstuk in de pet voor het raam en hoopte, dat er nog veel mensen zouden blijven staan. Fluitend liep ik richting Rozengracht, waar iedereen al op me aan het wachten was.