Voor de voormalige Rum Runners stond ik te wachten op de Opstapper, die mij weer naar de Dijk zou brengen. Een wat morsige en zwaarlijvige man kwam naast me tegen het hek van de kerk aan staan. Hij vroeg me, of ik hem niet herkende. Dat zei hij met een dikke tongval in een mengeling van Frans en Nederlands, maar ik wist inderdaad wie het was. Hij was de man, die tijden voor de Albert Heijn op de Dijk zijn krant verkocht. Soms had ik haast, soms kocht ik een krant van hem. Daarom was ik al enorm verbaasd, dat hij me herkend had. Ik had hem al een tijd niet meer gezien daar, er stond nu een jonger meisje met donker haar te venten. Hij vertelde even weg geweest te zijn, maar nu weer op zoek te zijn naar een vaste stek. Vandaag mocht hij nog even op zijn oude stek gaan staan. De tas met kranten had hij voor zich op zijn schoot staan en ik vroeg hem, of ik alvast er een kopen mocht. Daar was hij resoluut in, dat mocht ik nog niet. Maar als ik straks langs zou komen, dan zou hij er zeker eentje voor me bewaren. Onderweg vertelde hij, dat hij in Frankrijk geboren was, maar al heel veel jaren Amsterdam als zijn thuis zag. Dat ik moest toegeven, dat zijn Nederlands best goed was voor een Fransman. Dat hij er soms ook wel naar terug gaat, ook al heeft hij er niet langer familie om te bezoeken. Dat hij er nog altijd wel eentje lust. Soms wel eens eentje teveel, sprak hij bijna giechelend. Waarop zijn gelaat een serieuze uitdrukking kreeg en hij mijn arm vastpakte om mij op het hart te drukken, dat tijdens zijn werk dat nooit gebeuren zou.
We stapten beiden aan het begin van de Haarlemmerstraat uit. Ik moest eerst nog even een visje halen, maar zou hem niet vergeten. Met een ingepakte schol in de ene hand, liep ik de straat over. ‘Ik heb er een voor u bewaard hoor,’ riep hij al vanuit de verte en zwaaide met zijn krant. ‘Doet u dat nu maar weg, u krijgt hem van mij. Omdat u aardig geweest ben, u wilde met mij praten.’
De bioscoop liep uit en buiten was het al net zo donker geworden, als het binnen tijdens de film geweest was. Door de Kalverstraat liepen we naar huis toe, dat een man met een verwilderde blik op ons af kwam stormen. We moesten en zouden een krant van hem afnemen, anders dan zou hij zijn slaapplaats niet kunnen betalen. ‘Eigenlijk,’ blafde de jongeman ons toe, ‘jullie moeten mij meer betalen, want dat ene krantje betaalt niet al mijn kosten voor vanavond.’ We keken elkaar verbijsterd aan, dacht de man door zo een toon aan te slaan onze sympathie te kunnen krijgen? De man was een vastbijtertje, dat moest je hem nageven. Ter hoogte van de We vertelden we hem, dat we al een krant gekocht hadden en niet van plan waren er nog eentje van hem te gaan kopen. Dat hij dat toch moest kunnen begrijpen. Hij geloofde het niet en keek dreigend uit zijn ogen, maar durfde geen van ons tweeën aan te raken. Al doorlopend maakte ik mijn rugzak open en hield de gegeven krant voor zijn neus, dat ik wel degelijk een krant had en hem niet wilde afschepen. Beteuterd keek hij een seconde, maar zijn wanhoop een droge slaapplaats voor zichzelf te verzorgen nam weer de overhand. Mijn gezelschap had nog geen krantje, ik wilde er toch vast wel een kopen voor haar en zo niet als een gierigaard overkomen.
De handen van mijn gezelschap gingen ten hemel in opperste wanhoop en een werveldwind aan woorden kwam haar mond uit. Dat zij wel zelf voor dat stomme krantje had kunnen betalen. Dat ze daar mij niet voor nodig had. Dat ze veel geduld met hem gehad had, maar hem nu echt spuugzat geworden was. Dat, als hij het normaal gevraagd had, ze het ook best gekocht had. Maar dat, als hij echt verstandig wilde zijn, hij nu toch echt wel opzouten moest. De man was zonder woorden en bleef uiteindelijk staan. Hij was afgetroefd en had zijn meerdere gevonden. Zijn laatste krant was inmiddels nat geworden en niet meer te verkopen. Maar hij had nog een stapel Uitkranten in zijn plastic tas, waarmee hij op een groep Italiaanse toeristen afstapte.