aandenken

Er ligt een tekening op de eettafel. Nog steeds op tafel, zou ik moeten schrijven. De rode pen waarmee de tekening gemaakt is, die ligt eveneens op dezelfde plek als daarvoor. Het is een vreemde gewoonte, misschien is het beter een ondoordachte daad te noemen, om een moment zo te bevriezen, zodat het lijkt alsof het heden en het nabije verleden nog bijelkaar horen. De tekening vormt zo nog een herinnering aan een plezierige dag en doet me denken aan boekenmarkten. Die boekenmarkten, dat is de toekomst. Dat zijn de dingen, die nog komen gaan. En zo is een tekening, zomaar een tekening in het rood, een schakel in de tijd geworden. De pen neem ik in de rechterhand en op een randje van het papier schrijf ik mijn boodschappenlijstje voor de paasdagen. Het alledaagse kan tot kunst verheven worden, het is de kunst om een aandenken ook weer alledaags te kunnen maken.

zonder thuis

Voor de voormalige Rum Runners stond ik te wachten op de Opstapper, die mij weer naar de Dijk zou brengen. Een wat morsige en zwaarlijvige man kwam naast me tegen het hek van de kerk aan staan. Hij vroeg me, of ik hem niet herkende. Dat zei hij met een dikke tongval in een mengeling van Frans en Nederlands, maar ik wist inderdaad wie het was. Hij was de man, die tijden voor de Albert Heijn op de Dijk zijn krant verkocht. Soms had ik haast, soms kocht ik een krant van hem. Daarom was ik al enorm verbaasd, dat hij me herkend had. Ik had hem al een tijd niet meer gezien daar, er stond nu een jonger meisje met donker haar te venten. Hij vertelde even weg geweest te zijn, maar nu weer op zoek te zijn naar een vaste stek. Vandaag mocht hij nog even op zijn oude stek gaan staan. De tas met kranten had hij voor zich op zijn schoot staan en ik vroeg hem, of ik alvast er een kopen mocht. Daar was hij resoluut in, dat mocht ik nog niet. Maar als ik straks langs zou komen, dan zou hij er zeker eentje voor me bewaren. Onderweg vertelde hij, dat hij in Frankrijk geboren was, maar al heel veel jaren Amsterdam als zijn thuis zag. Dat ik moest toegeven, dat zijn Nederlands best goed was voor een Fransman. Dat hij er soms ook wel naar terug gaat, ook al heeft hij er niet langer familie om te bezoeken. Dat hij er nog altijd wel eentje lust. Soms wel eens eentje teveel, sprak hij bijna giechelend. Waarop zijn gelaat een serieuze uitdrukking kreeg en hij mijn arm vastpakte om mij op het hart te drukken, dat tijdens zijn werk dat nooit gebeuren zou.

We stapten beiden aan het begin van de Haarlemmerstraat uit. Ik moest eerst nog even een visje halen, maar zou hem niet vergeten. Met een ingepakte schol in de ene hand, liep ik de straat over. ‘Ik heb er een voor u bewaard hoor,’ riep hij al vanuit de verte en zwaaide met zijn krant. ‘Doet u dat nu maar weg, u krijgt hem van mij. Omdat u aardig geweest ben, u wilde met mij praten.’

De bioscoop liep uit en buiten was het al net zo donker geworden, als het binnen tijdens de film geweest was. Door de Kalverstraat liepen we naar huis toe, dat een man met een verwilderde blik op ons af kwam stormen. We moesten en zouden een krant van hem afnemen, anders dan zou hij zijn slaapplaats niet kunnen betalen. ‘Eigenlijk,’ blafde de jongeman ons toe, ‘jullie moeten mij meer betalen, want dat ene krantje betaalt niet al mijn kosten voor vanavond.’ We keken elkaar verbijsterd aan, dacht de man door zo een toon aan te slaan onze sympathie te kunnen krijgen? De man was een vastbijtertje, dat moest je hem nageven. Ter hoogte van de We vertelden we hem, dat we al een krant gekocht hadden en niet van plan waren er nog eentje van hem te gaan kopen. Dat hij dat toch moest kunnen begrijpen. Hij geloofde het niet en keek dreigend uit zijn ogen, maar durfde geen van ons tweeën aan te raken. Al doorlopend maakte ik mijn rugzak open en hield de gegeven krant voor zijn neus, dat ik wel degelijk een krant had en hem niet wilde afschepen. Beteuterd keek hij een seconde, maar zijn wanhoop een droge slaapplaats voor zichzelf te verzorgen nam weer de overhand. Mijn gezelschap had nog geen krantje, ik wilde er toch vast wel een kopen voor haar en zo niet als een gierigaard overkomen.

De handen van mijn gezelschap gingen ten hemel in opperste wanhoop en een werveldwind aan woorden kwam haar mond uit. Dat zij wel zelf voor dat stomme krantje had kunnen betalen. Dat ze daar mij niet voor nodig had. Dat ze veel geduld met hem gehad had, maar hem nu echt spuugzat geworden was. Dat, als hij het normaal gevraagd had, ze het ook best gekocht had. Maar dat, als hij echt verstandig wilde zijn, hij nu toch echt wel opzouten moest. De man was zonder woorden en bleef uiteindelijk staan. Hij was afgetroefd en had zijn meerdere gevonden. Zijn laatste krant was inmiddels nat geworden en niet meer te verkopen. Maar hij had nog een stapel Uitkranten in zijn plastic tas, waarmee hij op een groep Italiaanse toeristen afstapte.

langzaam stierven de vlinders weg

Ze wilde hem nog een laatste keer spreken, nog een laatste keer kijken of de dingen uitgepraat konden worden. Niet dat ze er veel hoop op had, maar nu zou ze ferm staan. Hem niet direkt terugnemen en alles vergeven, maar alles nu echt een keer uit gaan praten.

De telefoon ging over, hij was dus in ieder geval niet in gesprek. Hij nam op. Ze haalde diep adem en vroeg hem of ze hem ergens mee stoorde. Ze verzamelde al haar moed en probeerde voorzichtig aan hem uit te leggen, wat haar dwars zat. Hij luisterde en leek het ook wel enigszins te begrijpen. Hij scheen wat belangrijks te willen zeggen, toen haar beltegoed bijna op bleek te zijn.

‘Bel me meteen terug,’ fluisterde ze bijna ‘zo wil ik je niet kwijt.’ Hij belde niet terug, waarom weet ze nog steeds niet. Ze heeft duizend maal met de telefoon in haar hand gestaan, hem willen bellen. Maar ze kon het niet opbrengen, ze wilde niet de zwakste zijn. Niet degene, die elke keer weer het initiatief nam.

Als hij haar niet een telefoontje waard vond, dan moest dat dan maar zo zijn. Dan moest zij er maar een streep onder zetten, hoe onvervuld haar gevoelens ook waren. Ze pakte haar mobiel en ging naar zijn naam in het adresboek. ‘Weet u zeker, dat u dit nummer wissen wilt?’ Ze drukte op ‘ja’ en weg vloog de vlinder, zijn vrijheid tegemoet.

boemerang

Als een boemerang keerde het stokje hier terug, Mavrtje stelde de volgende vragen aan Jesca en mij:

Vraag 1:
Wat is je meest rampzalige vakantie ooit en waarom? Antwoorden met minimaal 40 woorden en vooral de details niet vergeten.

Het was niet echt rampzalig te noemen, omdat we een fantastisch weekend hebben gehad. Maar het vele lopen door de nauwe straatjes en langs de vele prachtige oudheden eiste een tol. De zaterdagmiddag kon ik nauwelijks meer lopen, door de vele blaren. Nergens waren blaarpleisters te koop, maar iemand kwam te hulp en kon de blaren vakkundig doorprikken. Rome is een van de mooiste steden van Europa, maar de volgende keer neem ik mijn voorzorgsmaatregelen.

Vraag 2:
Hoeft Bernard niet binnen 30 dagen te overlijden en waarom?

Koningsgezind kun je me moeilijk noemen, maar er echt tegen ben ik nu ook weer niet. Daar wijk ik waarschijnlijk niet al te veel af van wat de meeste andere Nederlanders denken. Bij Bernhard moet ik immer denken aan een overspel plegende en omkoopbare playboy met een voorkeur voor eigenrichting, die zijn vrouw krankzinnig schijnt te hebben willen verklaren. Arme Juliana, denk je dan onwillekeurig. Maar in die dertig dagen respijt zou hij kunnen genieten van Kokkie en hebben de stratenmakers in Delft nog niet helemaal het idee, dat ze al het werk voor niets gedaan hebben. Dat gezegd hebbende, mag hij van mij in alle gezondheid honderd worden.

Vraag 3:
Wat was er eerder: terrorisme of president Bush?

De ene holbewoner sloeg de ander met een grote tak of bot neer en zo is de terreur begonnen. Nodeloos excessief geweld is van alle tijden, alleen lijkt het steeds dichterbij huis te komen. Misschien kunnen we er beter aan wennen een risico te lopen, dan er bevreesd door te geraken.