over spel
‘En toch voel ik me vaak zo alleen.’ Je duim wreef over de rug van mijn hand, alsof dat mij rustiger maken moest. Die avond waren we uit eten geweest met een paar vrienden en ik liep je terug naar huis. In de achtergrond verlieten de laatste treinen het Centraal. Je moest het water nog over, voordat je naar bed toe kon. Ik zou niets liever willen dan meegaan en toch bleven we midden op de brug staan. Althans, ik liep niet langer naast je.
Hem had ik nog nooit gezien en waarom zou ik in hemelsnaam voor jou moeten gaan beslissen wat goed en fout is? Je slenterde terug en legde mijn handen onder jouw borsten. Ik zou toch al lang geen discussie meer moeten aangaan met mijn geweten, hoe verder heen moesten we nog komen om me te laten gaan.
Je tong gleed traag langs mijn tanden en het enige waar ik aan denken kon, was hoe ik me in zijn plaats nu voelen moest. Hoe het moest voelen de overspeelde te zijn. Maar ik was niet hij en hij wist nergens van. Kon ik me niet gewoon mee laten glijden steeds verder jouw stroom opwaarts? ‘Je zult er geen spijt van krijgen.’ Maar het ging helemaal niet om mij, het gaat nooit om mij. Zou jij er morgen geen spijt van gekregen hebben? Ik durfde het niet te vragen.
Eerlijk gezegd, ik ben er voor mezelf nog steeds niet over uit of ik er goed aan gedaan heb. Was ik wel met je meegegaan, wie was er eigenlijk slechter van geworden? Ik ben bang, dat het antwoord ‘niemand’ is en ik het gevoel zal houden de verkeerde beslissing genomen te hebben.
Plaats een opmerking