Ondanks het zomerse weer werd ik maar niet afgeleid door al het moois langs ’s heerenwege, totdat er een klein jongetje langs de tafel kwam. ‘Mijn vader heeft een grotere!’ Bijna had ik wat willen zeggen, maar hield het maar bij die gedachte. Het ijsje in zijn hand smolt vervaarlijk dichtbij het toetsenbord. ‘Pas je wel op, straks mag ik die van je vader hebben’ en ik wees hem daarbij de druppels ijs, die vlak naast de computer daalden. Het laatste stukje van de hoorn deed hij in ene keer in zijn mond. ‘Heb je er ook spelletjes opzitten?’ Eigenlijk wist ik het niet, het was niet mijn computer. Het jongetje ging naast me op de bank zitten.
‘Mijn paps heeft er alleen maar plaatjes opstaan. Mam vond dat niet zo leuk, geloof ik. Spelletjes vindt mijn vader maar stom, zegt-ie.’ Een microfoon had ik wel meegenomen en vroeg hem, of hij wel eens zijn stem teruggehoord had. Vroeger maakten we altijd radio en vonden het grappig om onze stemmen dan aan andere mensen te laten horen. Die jongen moest een echt Kijk-kind zijn, waarom anders zou hij vol belangstelling naar de grafiekjes van zijn stem zitten kijken. Ik veranderde zijn stem een ietwat, zodat hij als een meisje klonk. ‘Maar dat ben ik niet,’ klonk het verontwaardigd. Hij moest er zelf om lachen. De zon scheen hoog, maar wij waren met een computer aan het spelen.
Een vrouw van begin dertig kwam naar ons gelopen. ‘Waar was je nu?’ vroeg ze op strenge toon, ‘Ik was zo ongerust over je. Er had wel van alles kunnen gebeuren.’ Nu pas keek ze ook mij aan. ‘Oh hoi Edwin, hoe gaat het met je? Hij stoort je toch niet, he?’ Plots herkende ik haar, dat was toch wel lang geleden. ‘We zitten op de speelweide, kom je anders even langs?’ Later misschien. ‘Neem je hem dan ook meteen mee, anders ben ik hem straks nog kwijt ook,’ zei ze lachend, terwijl ze weer terugliep.
‘Toen Paps wegging… ze is zo streng voor me…’ Hij maakte zijn zinnen niet af, maar ik begreep zijn woorden. En terwijl we spraken over vele dingen, dwazen en prinsen, zei hij dit tegen mij: ‘Het mooiste dat je ooit zult leren is gewoon te beminnen en terug bemind te worden.’
‘En toch voel ik me vaak zo alleen.’ Je duim wreef over de rug van mijn hand, alsof dat mij rustiger maken moest. Die avond waren we uit eten geweest met een paar vrienden en ik liep je terug naar huis. In de achtergrond verlieten de laatste treinen het Centraal. Je moest het water nog over, voordat je naar bed toe kon. Ik zou niets liever willen dan meegaan en toch bleven we midden op de brug staan. Althans, ik liep niet langer naast je.
Hem had ik nog nooit gezien en waarom zou ik in hemelsnaam voor jou moeten gaan beslissen wat goed en fout is? Je slenterde terug en legde mijn handen onder jouw borsten. Ik zou toch al lang geen discussie meer moeten aangaan met mijn geweten, hoe verder heen moesten we nog komen om me te laten gaan.
Je tong gleed traag langs mijn tanden en het enige waar ik aan denken kon, was hoe ik me in zijn plaats nu voelen moest. Hoe het moest voelen de overspeelde te zijn. Maar ik was niet hij en hij wist nergens van. Kon ik me niet gewoon mee laten glijden steeds verder jouw stroom opwaarts? ‘Je zult er geen spijt van krijgen.’ Maar het ging helemaal niet om mij, het gaat nooit om mij. Zou jij er morgen geen spijt van gekregen hebben? Ik durfde het niet te vragen.
Eerlijk gezegd, ik ben er voor mezelf nog steeds niet over uit of ik er goed aan gedaan heb. Was ik wel met je meegegaan, wie was er eigenlijk slechter van geworden? Ik ben bang, dat het antwoord ‘niemand’ is en ik het gevoel zal houden de verkeerde beslissing genomen te hebben.
Op een vrije dag en met dit prachtige weer riep de zon me naar buiten. Na het ontluisterende bezoek aan de tandarts van vanmorgen verdiende ik wel iets leuks.
Met in mijn tas wat achterstallige correspondentie, een schetsboek en wat andere zaken waarvan ik dacht dat ik die wel eens nodig kon hebben vertrok ik lopend naar het park vlak bij mij in de buurt.
Ik was niet briljant met mijn idee om naar het park te gaan.
Moeders, kinderen en bejaarden (al dan niet met buggy of rolstoel) hadden hetzelfde bedacht.
Iets harder liep ik. Nog iets harder en ik zou het halen berekende ik snel. Gelukt! A-sociaal ging ik in het midden van het bankje zitten en legde mijn tas naast me. Ha, ik had een plek! De moeder met buggy en gsm had het nakijken.
Vijftien minuten zat ik, op zijn hoogst, achterover geleund met mijn gezicht in de zon. Een beetje doezelend, een beetje dromend. Een fijn bankje op een fijn plekje had ik uit gezocht.
Toen ineens 2 keer een *plons*, een boos geschreeuw en een huilend kind.
Snel viste ik mijn fototoestel uit mijn tas en maakte een foto van 2 drijvende rode kinderschoentjes in de vijver van het park.
Waarom ik een foto maakte vroeg de moeder mᅵt buggy en beteuterd kind.
Ja, waarom eigenlijk?
Helaas ben ik (nog) niet in het bezit van een digitale camera. Anders had ik U als lezer mee laten genieten. Een foto van de moeder die de kinderschoentjes met een tak uit de vijver probeerde te halen was ongetwijfeld leuker geweest, maar die durfde ik niet te maken.
Gisteren is Jezus gekruisigd. Door de wimpers van haar ogen tuurt ze uit het raam van hun woning over de grote leegte van het Zuiden, dat in de jaren haar thuis geworden was. Soms verbeeldt ze zich dingen te zien die er niet zijn, zoals gele kentekenplaten op de bus voor haar. Ze had er toch echt zelf voor gekozen, met heel haar hart nog wel.
In de verte hoort ze een auto aankomen, dat zullen haar man en kinderen zijn. De kerkdienst is afgelopen en nu komen ze haar halen voor de familiebrunch. Hun godsdienst is het enige, dat ze geweigerd had over te willen nemen. De kinderen zijn hervormd opgevoed, wat dat dan ook moge zijn, maar gaan eens in de zoveel tijd ook naar hun kerk. En het is niet dat ze wil klagen, ze heeft het best goed. Het ontbreekt haar aan niets.
Zijn familie heeft haar van het begin af aan als een van hen beschouwd en ingelaten in alle familiegeheimen. Het is gewoon, dat ze zich soms toch buitengesloten voelt. Dat ze beseft, dat ze niet hier geboren en opgegroeid is. Dat haar Spaans niet goed genoeg is, dat ze zich daarom soms niet serieus genomen voelt. Maar ze heeft het toch goed, wat heeft ze te klagen?
Thuis was ze iemand geweest, de kinderen op het werk luisterden graag naar haar en vertrouwden haar ook. In het begin had ze de hoop, dat ze hier een nieuw begin zou kunnen maken. Dat ze de taal wel snel zou oppikken. Dat de kinderen hier weliswaar een andere taal spraken, maar dat het even zo goed kinderen bleven. Ze bleek nog niet eens aan het werk te mogen gaan, waardoor ze na een tijd in een heel andere sector terecht gekomen was. Ze wil niet klagen, echt niet.
Ze tuurt door de wimpers van haar ogen uit het raam van hun woning. Het zand stuift op, de auto komt voor het huis rustig tot stilstand. Haar jongste dochter roept, dat ze het eerste ei al gevonden heeft. De lieverd houdt een paarsgekleurd exemplaar in haar linkerhand. Ze hoopt dat haar dochter die niet op zal eten, die moest er nog van vorig jaar liggen. Ze grimlacht. Ze houdt van haar man en kinderen, maar weet soms niet zeker of dit het gemis van haar thuis wel waard geweest is.
Even werd ik wakker, dat was het moment dat de trein het station van Haarlem passeerde. Het was al bij half twee en ik moest proberen wakker te blijven tot Centraal. Alles kwam weer in een langzaam heen-en-weer wiegende beweging, die mijn bewustzijn weer naar elders deed vervoeren. De geluiden van het eindstation brachten me bruusk terug in het donker van de nacht, een groot gedeelte van het station was afgezet met linten. ‘Er zal waarschijnlijk wel weer een bommel-ding gedaan zijn,’ dacht ik, zonder me er ook maar een moment druk om te maken. Vanaf deze plek kon ik nog dromend de weg naar mijn warme bed terugvinden, wat ik dan ook maar zou gaan proberen.
Peter Gunn. Een slaperige stem aan de andere kant van de lijn vraagt of ik al veilig thuis gekomen was. Bijna, ik was bijna thuis. Nog één trap op, de sleutel omdraaien en dan de gebruikelijke rituelen. Als laatste het raam in de slaapkamer opendoen, waardoor de geluiden van de vroege paasmaandag binnenkwamen. De Westertoren luidde het derde uur in, het dekbed sloeg ik helemaal om me heen. Eindelijk kon ik diep wegzinken in dromenland.
Zeven uur slapen, daar heb ik normaal gesproken wel genoeg aan. Maar deze paasmaandag ben ik niet in staat geweest wakker te worden. Ik geloof, dat ik kaartjes betaald heb en het gehad heb over weblogontwerpen en afspreken via internet. Ik weet zeker, dat ik serieus aan het schrijven geweest ben. Maar erbij was mijn hoofd nog niet helemaal en de rest ook niet echt. De volgende keer zal ik niet te koppig zijn in mijn eigen bed te willen slapen. De bank daar lag al lekker, slapen kun je er vast ook wel op. En dan heb ik ook nog wat aan mijn paasmaandag. Althans, dat ik de maandag dan ook wat bewuster mee zou maken. Nu kan ik beter nog wat slapen gaan. Mijn huis ruikt al het hele weekend heerlijk naar vanille, dat dan weer wel.