de zwemmer sprong in het diepe en begon te zwemmen scholen vissen omringden hem en hij voelde zich gevleid door hun kleurenpracht zonder dat hij het merkte brachten zij hem in dieper water waar de golven hoger en heviger waren de kleuren vervulden hem met warmte in de koude zee evenwel verhevigden de baren en hij werd angstig de zwemmer vocht met de golven en tegen hen telkens opnieuw de kleurenpracht zou hij niet uit het oog mogen verliezen hij streed en ging bijna ten onder totdat hij plotseling zijn lange rug op het water uitstrekte en zich mee liet voeren met de stroming waar die hem ook heenleiden zou
Trinity liep vanuit het metrostel in slowmotion op Neo tegemoet en omhelsde hem. Ze had even daarvoor haar leven voor hem op willen geven en ik schoot vol van de scene. Geen houden meer aan. De man naast me keek me verbouwereerd aan en ik kon tussen mijn tranen nog iets mompelen over Fisherman’s Friend. De man moet me een rare gevonden hebben. Maar ik heb de hele week al een raar gevoel over me en kan daar behoorlijk onzeker van worden.
Op het werk kreeg ik deze week tijdelijk opeens meer verantwoordelijkheden. In eerste instantie schrok ik daar geweldig van, ook al omdat ik dat helemaal niet aan had zien komen. Dan komt die onzekerheid in vlagen. Kan ik dit wel. Gaat dat wel goed. Zal ik niemand teleurstellen. Het is tot nu toe allemaal goed gegaan, maar ik heb me wel aan zitten stellen. Niet tijdens de opdracht, maar ik was nog niet in staat haar vertrouwen in mij zelfstandig te verwerken. Dan had ik te vaak een terugkoppeling nodig, om te weten dat mijn gedeelte verliep zoals bedoeld. Dan kon ze duizend keer zeggen, dat ik het volgens haar de eerste keer echt al begrepen had en ik het meer dan goed deed, maar dat wilde maar niet tot me doordringen. En op het moment schiet ik al vol bij de gedachte, dat iemand zo snel zo een groot vertrouwen in mij heeft. Daar kan ik dan gewoon niet bij.
Eigenlijk is die onzekerheid eerder begonnen. Als ik heel eerlijk ben. Iemand is onlangs als een warm mes door zachte boter mijn zorgvuldig opgebouwde vesting binnengedrongen en ik weet niet zo goed, wat ik met mezelf aanmoet op het moment. Eerst wilde ik het niet toegeven. Niet aan mijzelf en zeker niet aan iemand anders. Dan zei ik, dat ik het niet zeker wist. Dat het iets is, dat wellicht en misschien langzaam groeien moet. Als ik het me al niet verbeeld. Dat ik er maar één uit duizenden ben, zo niet miljoenen. Wie ben ik dan, om op een dergelijk bespottelijk idee te komen. Mijn handen gebonden, mijn geest in de war en mijn maag in de knoop. Mijn hart gestolen. Of weggegeven, misschien is dat een betere omschrijving. Weggegeven. En ik zou niets liever willen, dan vragen of zij ook maar iets om mij geeft. Ook al is het maar een heel klein beetje. Ik zou niets liever willen, dan dat ik een kleine stap in die richting zou durven zetten. Naar een ‘nee’ of wellicht wel een ‘misschien’. Daar is die onzekerheid eigenlijk allemaal begonnen.
En het is niet, dat dit allemaal mij verdrietig, wanhopig of desperaat maakt. Ik kan u in alle eerlijkheid vertellen, dat ik mij in lange tijd niet zo gelukkig gevoeld heb als dat ik nu doe. Ook bij een ‘nee’ zou dat totaal niet veranderen. Niet helemaal. De laatste tijd zorgen een aantal mensen, zowel oude vrienden als nieuwe bekenden, dat mijn leven behoorlijk opgeschud wordt en ik laat dat allemaal gebeuren. Bekijk het later wel eens van een afstandje en bijt daarbij met een glimlachje op mijn lip linksonder. Maar het maakt me toch ook onzeker. Een beetje. Soms gaat het een allemaal een tikkie te snel. Zijn de veranderingen in mijn anders zo kalme leventje te vlug. Niet dat ik het niet wil laten gebeuren, maar het maakt me soms onzeker.
Maar onzekerheid is goed.
Gister heeft een prinses voor ons gezongen. Eerst aarzelde ze nog een beetje, keek wat in de rondte, waarna een meer dan schone stem de harten van ons vervulde. Ze had wellicht zich nog willen verontschuldigen. Dat het niet perfect was, zo allemaal. Ze had mogelijkerwijs ons naderhand de misplaatste noten nog willen aanwijzen. Het zij ons vergeven, wij hebben het niet gehoord. Welhaast betoverd door het gevoel, welke zij in haar stem te leggen wist, liet ze ons een moment daarin verpozen. Het moment dat ze met haar fiets de nacht in verdween, deed deze gewone sterveling ongewild wensen, dat een prins op haar wachten moest. Of op zijn minst een stoere brandweerman.
Wanneer het mooi weer was tijdens de Grote Vakantie, fietsten we naar het strand van Egmond. Mijn tante staat nog altijd op het strand met een huisje en wanneer ik haar tegenkom, vertelt ze dat ze immer nog mijn ijsje bewaard heeft. Zelf kan ik het me totaal meer niet herinneren, maar ik heb blijkbaar ooit een ijsschep gebruikt om met het natte zand te spelen. Zou ze dat echt bewaard hebben, ik durf het echt niet te vragen.
Wel ben ik bang, dat ik steeds meer van diezelfde trekjes krijg. Dan zie ik beelden van mezelf, rondsloffend in het verpleegtehuis. Een blauwe rollator stoot tegen mijn stramme benen en een stem vanonder een grote bos haar zegt zachtjes: ‘Sukkels blijven het…’ Ik kijk verbaasd achterom en fluister met een krakende stem, of ze weet wat ik al die jaren bewaard heb. Mijn handen pakken hevig bevend een plastic tasje en eruit wordt een bijna vergane rol Smarties gehaald.
Ik had mijn tante beloofd deze zomer naar het strand te komen. Ik kan nu van alles gaan verzinnen. Uiteindelijk komt het erop neer, dat ik er geen tijd voor gemaakt heb. Dat had ik wel moeten doen…